Recht & Onrecht

Als de armen een brood stelen, of een Italiaanse worst

Homeless man curled up under a plastic tarpaulin, asleep on the street.

Mag een dakloze eten stelen om zijn honger te stillen? Het Italiaanse Hof van Cassatie oordeelde recentelijk van wel. Het arrest (in het Italiaans) vindt u hier. Bijzonder er aan is niet zo zeer dat het Italiaanse Hof begrip had voor de situatie van de stelende dakloze. Dat zien we vaker in het strafrecht. Maar zulk begrip uit zich meestal in het matigen of geheel achterwege laten van straf voor het gepleegde misdrijf. Hier zegt het Hof daarentegen dat het stelen gerechtvaardigd was door de situatie van de dakloze en dus geen misdrijf was. Dat is zeer uitzonderlijk.

In het Nederlandse strafrecht beoordelen we de vraag of men bij honger voedsel mag stelen aan de hand van het leerstuk van de noodtoestand als vorm van overmacht. Noodtoestand houdt in dat de pleger van een strafbaar feit, in de wat plechtige bewoordingen van de Hoge Raad, ‘staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren’. In dit geval gaat het dus om het eigen belang van overleven tegenover de wettelijke plicht om niet van anderen te stelen.

In abstracto is dat geen ingewikkelde belangenafweging. Natuurlijk moet het recht van een mens om te overleven zwaarder wegen dan het recht van een winkelier om betaald te worden voor zijn waren. Bisschop Muskens zei het lang geleden al, en de Neo-Hanbalieten ver voor hem. Maar in concreto wordt het snel ingewikkelder. Had de dakloze in kwestie echt geen andere manier om aan eten te komen? Was er geen daklozenopvang waar hij kon eten? Zo nee, mag hij dan morgen weer zijn eten gaan stelen? En de dag er na ook? Mogen alle andere daklozen in zijn buurt dat ook, iedere dag? En wat betekent dat dan voor het overleven van de winkelier?

Zie hier het soort vragen dat komt kijken bij het leerstuk van de noodtoestand. Een beroep er op slaagt niet vaak, maar wel af en toe. In een eerdere column schreef ik al eens over het straffeloos kweken van medische cannabis door patiënten in een noodtoestand. Ook wie even kort te hard rijdt om daarmee een aanrijding te voorkomen, gaat – als dat daadwerkelijk de enige redelijke oplossing was – vrijuit. Klassiek is het arrest over een opticien die een slechtziende klant na sluitingstijd hielp omdat deze zonder bril geen hand voor ogen kon zien. De Hoge Raad bepaalde dat de opticien terecht het belang om de klant uit zijn hulpbehoevende toestand te verlossen zwaarder had laten wegen dan zijn plicht om zich aan de voorgeschreven sluitingstijden te houden.

Een beroep op noodtoestand is gemakkelijker te accepteren als er niemand direct door benadeeld wordt, en er geen gevaar is voor een aanzuigende werking met ontwrichtende gevolgen. Lastiger wordt dat als er wel slachtoffers zijn. En nog lastiger wordt het als de kans reëel is dat vele anderen eenzelfde beroep op noodtoestand willen doen om strafbare feiten te verontschuldigen die door weer vele anderen niet geaccepteerd zullen worden.

Van de opticien die een bijziende klant helpt, wordt niemand de dupe. Het vooruitzicht dat vele opticiens buiten sluitingstijden vele hulpbehoevende klanten van een bril gaan voorzien, lijkt niet heel realistisch en weinig zorgwekkend. Maar het beeld dat iedere dakloze eten mag stelen als hij honger heeft, is toch wat problematischer – zeker als je winkelier bent.

In de Nederlandse jurisprudentie ken ik dan ook geen uitspraak waarin de rechter een beroep op noodtoestand heeft gehonoreerd bij diefstal van voedsel. Illustratief is de wijze waarop het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in 2013 een beroep op noodtoestand verwierp voor de diefstal van ‘een hoeveelheid kippenvlees alsmede wijn en een aantal blikjes bier’ door een illegale vreemdeling. Het hof overwoog dat het een feit van algemene bekendheid is dat Nederland (hulp)instanties kent die zich het lot aantrekken van illegale vreemdelingen die buiten de overheidsvoorzieningen vallen, en dat niet was gebleken dat de verdachte bij zulke instanties hulp had gezocht. Dat noemen we de eis van subsidiariteit: een beroep op noodtoestand slaagt alleen als duidelijk is dat er geen andere, minder ingrijpende manieren waren om de nood te keren.

Maar hoe beoordeel je dat in de praktijk? De rechtsfilosoof John Rawls beschreef een gedachtenexperiment dat hij de Original Position noemde. Daarbij formuleer je principes van rechtvaardigheid vanachter een ‘sluier van onwetendheid’, dus zonder te weten welke positie je in de maatschappij zult innemen. Dat gedachtenexperiment kun je ook kleiner maken en toepassen op een concreet geval als dat van de stelende dakloze. Het komt er op neer dat je je bij dilemma’s zoals deze voorstelt dat je net zo goed de hongerige dakloze zou kunnen zijn als de winkelier. Wat is dan rechtvaardig? Aan welke eisen moet de dakloze voldoen om een geslaagd beroep op noodtoestand te kunnen doen?

(Dezelfde vragen kunnen we overigens stellen voor het vluchtelingenvraagstuk. Wat is een rechtvaardig beleid als je je inbeeldt dat je net zo goed de Europeaan kunt zijn die zich zorgen maakt om de wel heel grote vluchtelingenstroom, als de Syriër die probeert een allesvernietigende oorlog te ontvluchten?)

Uiteindelijk moeten bij een beroep op noodtoestand steeds de feiten de doorslag geven. De wens om de samenleving geordend te houden mag niet leiden tot een routineus ontkennen van een noodtoestand als de realiteit anders is. Misschien is dat wel de boodschap van het Italiaanse Hof van Cassatie.

 

Ward Ferdinandusse is officier van justitie (landelijk parket, Rotterdam) en bijzonder hoogleraar internationaal strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. De Togacolumn wordt wekelijks geschreven door een rechter, een advocaat of een officier van justitie.

Blogger

Ward Ferdinandusse

Ward Ferdinandusse studeerde rechten in Amsterdam, waar hij promoveerde op de toepassing van internationaal strafrecht in nationale rechtbanken. Hij schreef voor het studentenblad Propria Cures en het voetbaltijdschrift Hard Gras. Ferdinandusse werkt als officier van justitie bij het Landelijk Parket in Rotterdam en als bijzonder hoogleraar Internationaal strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Als officier was hij betrokken bij strafzaken, uitleveringsprocedures en onderzoeken naar internationale misdrijven zoals genocide, oorlogsmisdrijven, foltering, piraterij en (internationaal) terrorisme.