Nederlander debuteert in Cannes met animatiefilm

Michael Dudok de Wit komt naar Cannes, dat vanavond begint, met zijn animatiefilm ‘The Red Turtle’.

In Michael Dudok de Wits Japans-Franse animatiefilm ‘The Red Turtle’ probeert een drenkeling naar de bewoonde wereld terug te keren

Hoe hij ging werken voor de legendarische Japanse animatiestudio Ghibli? Het begon met een best vleiende brief in 2006, herinnert de Nederlandse animator Michael Dudok de Wit zich. Hij had wel eens de hand geschud van maestro’s Isao Takahata (80) en Hayao Miyazaki (75). Nu was de vraag of hij geen speelfilm met Ghibli wilde maken. „Ik vroeg: waarom ik? Wie hebben jullie al gevraagd? Maar ze wilden mij.”

Drenkeling

Tien jaar later gaat La Tortue Rouge (The Red Turtle) in première in Cannes. Over een drenkeling op een onbewoond eiland wiens pogingen naar de bewoonde wereld terug te keren worden gefrustreerd door een schildpad.

Dat Ghibli bij Dudok de Wit belandde, is niet zo gek. De studio, gedomineerd door twee hoogbejaarde maestro’s en hun epigonen, dreigt te verkalken. Een Europees experiment - met het Franse Wild Bunch - is dan het proberen waard. En Dudok de Wit, met zijn delicate gevoeligheid en oriëntaalse houtskool en waterverfstijl, ligt best voor de hand. Hij won in 2001 een Oscar met zijn korte film Father and Daughter.

Schaven

Maar over een speelfilm moest Dudok de Wit even nadenken. Sinds zijn afstuderen in 1978 had hij, naast reclamewerk, maar zo’n 21 minuten film geanimeerd. Kijkers anderhalf uur boeien, dat was iets heel anders. En spannend werd het. De afspraak was dat Ghibli op elk stadium de stop eruit kon trekken. Dudok de Wit schaafde jaren aan het script en een ruwe animatie, en stapte soms met lood in de schoenen op het vliegtuig naar Tokio. „Grote kans dat het hier stopt, dacht ik dan.”

Hij overlegde vooral met animatielegende Isao Takahata (Grave of the Fireflies, The Tale of princess Kaguya) Dudok de Wit: „Altijd met tien man erbij, maar de meesten luisteren. Het kon gaan over de kleur van het haar of over grote filosofische problemen en narratieve knopen.” Takahata kreeg niet altijd zijn zin. „Hij heeft autoriteit, maar speelt niet de baas. Het moest een auteursfilm zijn, en men respecteerde mijn keuzes.”

Het maken van een speelfilm was „heel vreemd” voor hem. „Ik werk vaak alleen en was nu een soort manager die steeds van alles moest uitleggen. Maar het werd een fijne vriendengroep, en het is echt een kunst het beste uit al die talenten te halen.” Voor herhaling vatbaar? „Ja, ik heb zoveel geleerd. Maar niet zonder een idee waar ik verliefd op ben.”