Hoe Luchino Visconti het Italiaanse theater met de zweep gaf

Na Ludwig en Rocco e i suoi fratelli brengt toneelregisseur Ivo van Hove opnieuw een theaterversie van een film van Luchino Visconti op de planken: zijn debuutfilm Ossesione uit 1943. Van Hove wist zelfs een heuse filmster te strikken voor de hoofdrol: Jude Law.

De oude meester zou zich erover hebben verbaasd. Visconti (1907-1976) was een theaterdier. Zijn rol in het Italiaanse theater was net zo groot als zijn betekenis voor de cinema. Maar het idee om zijn eigen films nog eens over te doen op het toneel kwam niet bij hem op.

Wat deed Visconti dan wel in de Italiaanse theaters? Hij speelde meteen na WOII een leidende rol bij het wakker schudden van het publiek na de het einde van het fascisme met eigentijdse stukken, die onder de dictatuur niet te zien waren geweest. Hij bracht als eerste Les enfants terribles van Jean Cocteau op de planken in Italië, over de incestueuze relatie tussen een moeder en zoon; een thema dat hem obsedeerde. Hij haalde Huis Clos naar Italië, waarin Jean-Paul Sartre zijn leer van het existentialisme ontvouwde; de bron van het roemruchte: „De hel, dat zijn de anderen.” Visconti was verantwoordelijk voor de Italiaanse première van Death of a Salesman van Arthur Miller in 1951. Dat waren allemaal eigentijdse stukken, die inmiddels klassiek zijn. Dat geldt dan weer niet voor Adam van de Franse schrijver Marcel Achard: nu vergeten, maar ooit de oorzaak van veel rumoer omdat het thema homoseksualiteit er openlijk in aan de orde kwam.

In die periode na de oorlog gold Visconti – aristocraat, estheet én communist – als het enfant terrible van de theaterwereld; de „regisseur van de besmeurde lakens”. Hij lag permanent onder vuur bij conservatieve partijen en katholieke gezagsdragers. Respectabel werd hij pas in de loop van de jaren vijftig, toen hij zich – naast opera met Maria Callas – waagde aan de stukken van Tsjechov, een auteur die hij zo vereerde dat hij zijn stukken aanvankelijk uit de weg ging.

Zelfs een zware beroerte weerhield hem er niet van om met zijn laatste productie in 1973 nog een schandaal te veroorzaken. Met zijn bewerking van Old Times van Harold Pinter haalde hij zich de woede van de schrijver op de hals door behalve muziek – met gongslagen in Pinters beroemde stiltes – ook expliciete, lesbische seksscènes toe te voegen. Vergeleken met Visconti’s eigen avonturen in het theater, blijft het bewerken van oude filmklassiekers tot nieuwe toneelstukken toch een tikkeltje braaf en tam.