Groots gespeeld, maar hond steelt de show

Truman vermijdt op bewonderenswaardige wijze te zwelgen in tranen.

Er wordt veel gereisd in de prijswinnende Spaanse film Truman. Van Montréal naar Madrid, van Madrid naar Amsterdam, en kleinere afstanden binnen Madrid. Steeds laat regisseur Cesc Gay zijn hoofdpersonen in hun vervoermiddel zien of met een shot van boven de wolken. Zowel die reismetafoor als het terugkerende wolkenbeeld bekrachtigt het thema van Truman, dat gaat over de laatste reis van acteur Julián (Ricardo Darín). Zijn longkanker is niet meer te genezen en hij heeft besloten te stoppen met chemotherapie. Zijn beste vriend Tomás, die in Canada woont, komt hem nog één keer opzoeken.

Julián sublimeert al zijn gevoelens over de naderende dood in bezorgdheid over wat er moet gebeuren met zijn trouwe metgezel Truman, een flegmatieke Bullmastiff. De zoektocht naar een nieuw baasje voor Truman vormt de drijvende kracht achter het verhaal. Maar het draait natuurlijk om het omgaan met de dood, van het bezoek aan een begrafenisondernemer tot het afscheid van Juliáns zoon Nico. Die studeert in Amsterdam en wordt de dag voor zijn verjaardag bezocht door zijn vader en Tomás.

Truman vermijdt op bewonderenswaardige wijze te zwelgen in tranen. Zoals dat gaat bij mannen stippen de vrienden hun emoties bij voorkeur indirect aan, vooral ook omdat Julian meteen duidelijk maakt dat hij niet wil praten over het stopzetten van zijn behandeling.

Die indirectheid is meteen ook de grootste kracht van Truman. Het geeft de acteurs de kans te schitteren via een zwijgende blikwisseling, het optrekken van een wenkbrauw of het opeens vochtig worden van ogen. Hoewel het een echte acteursfilm is, met groots gespeelde rollen, steelt hond Truman uiteindelijk de show. In een moment dat nauwelijks opvalt laat hij als reactie op een ruzie tussen Julián en een vriendin een duidelijk hoorbare zucht ontsnappen. In die éne zucht zit al het verdriet van de film schitterend samengebald.