Column

Brief aan meisje

Veel antisemitisme komt voort uit onwetendheid, vooral bij jongere moslims. Aldus onlangs een van de impliciete conclusies in de niet diepgravende, maar toch interessante tv-documentaire Mijn Jodenbuurt van Filemon Wesselink over de Amsterdamse Rivierenbuurt.

Wesselink bracht de antisemitische sentimenten bij een groepje van die jongeren aan de oppervlakte, maar generaliseerde niet. „Het overgrote deel van de Marokkanen probeert iets van het leven te maken”, zei hij in Het Parool. Hij pleitte zelfs voor theedrinken à la Job Cohen. „Je gaat werkelijk anders denken: ik heb zo veel sympathieke Marokkanen gesproken, terwijl ik normaal gesproken nauwelijks met hen in contact kom.”

Wat zeg je tegen jongeren die geen idee hebben van de Holocaust? Een passend antwoord daarop is te vinden bij Primo Levi (1919 – 1987), een van de beste schrijvers over de Holocaust. Het staat in het onlangs uitgekomen Zo was Auschwitz, een verzameling indrukwekkende artikelen en essays, voor een deel eerder verschenen onder de titel Auschwitz-rapportage.

Daarin is opgenomen de antwoordbrief die Levi op 3 december 1959 in La Stampa richtte aan „de dochter van een fascist die de waarheid wil weten”. Het meisje had in Turijn een tentoonstelling over de Duitse concentratiekampen gezien, waar ze op school nooit iets over gehoord had. „Ik, dochter van een fascist, was verbijsterd door wat ik heb gezien, en ik heb tot God gebeden dat mijn vader onschuldig is aan deze slachting.”

Levi zag haar brief als bewijs van een cruciale verandering in de tijdgeest. Eindelijk was er belangstelling vanuit een potentieel nieuw publiek.

„Nee, juffrouw”, schrijft hij haar, „er valt onmogelijk te twijfelen aan de echtheid van de beelden. Die dingen zijn echt gebeurd, en niet eeuwen geleden, niet in verre landen, maar 15 jaar geleden, en in het hart van ons eigen Europa. Wie hieraan twijfelt, hoeft maar een trein te nemen en een bezoek te brengen aan wat er rest van die treurige oorden. En ook dat is niet eens nodig: hier, in onze stad, bevinden zich tientallen ooggetuigen.”

Hij verwerpt het zwijgen van de leraren: „Maar zwijgen is fout, in dit geval bijna een misdrijf.” Hij eindigt mild, maar realistisch: „Ook ik hoop dat de vader van onze lezeres onschuldig is, en het is zeer waarschijnlijk dat hij dat is, want in Italië zijn de dingen anders gelopen. De tentoonstelling is echter niet opgedragen aan de vaders, maar aan de kinderen, en aan de kinderen van de kinderen, met als doel aan te tonen wat voor reservoirs aan wreedheid er in de menselijke geest verborgen liggen, en welke gevaren ook nu nog onze beschaving bedreigen.”

Het zwijgen had Levi al eerder veroordeeld in zijn artikel Jubileum uit 1955. Het zwijgen van de Duitsers en de fascisten kon hij nog wel begrijpen, maar niet dat van ‘de beschaafde wereld’. Het was geen lafheid, het was schaamte, analyseerde hij.

„We zijn mensen, we behoren tot dezelfde menselijke familie als waar onze beulen toe behoorden. (…) Wie kan met zekerheid zeggen dat hij immuun is voor besmetting?”

Dat was zestig jaar geleden. Sindsdien is er veel zwijgen verbroken, ook in Duitsland en Italië. Alleen in sommige moslimkringen moet er nog het nodige ingehaald worden. Dat moet kunnen, eventueel met een kopje thee erbij.