Blikken in de ‘gootjes van de samenleving’

Voegt de undercoverjournalistiek van Maarten Zeegers iets toe aan het beeld dat Pim Fortuyn in 1997 al schetste? Zijn boekje over islamisering is opnieuw uitgegeven.

We offeren moeiteloos onze zondagsrust op aan de verruiming van de winkelwet, maar een knieval voor de islam – dat nooit. Grote heisa toen het er dit voorjaar op leek dat de Hema paaseitjes als ‘verstopeitjes’ verkocht. Bijna jammer dat de Hema al tien jaar met Pasen verstopeitjes in het assortiment bleek te hebben.

Elke keer dat Geenstijl weer een ‘haatimam’ in een Nederlandse moskee signaleert, is er wel een reaguurder die schrijft: ‘Dank je wel sociale menschen, dank voor deze prachtige wending in onze geschiedenis.’

West-Europese islamcritici vinden al jaren gehoor bij steeds groeiende rechts-nationalistische partijen. Maar uit een langlopend onderzoek van het Franse dagblad Le Figaro met enquêtebureau Ifop bleek afgelopen weekend dat de verdraagzaamheid voor de islam nu ook onder de aanhangers van linkse partijen in Frankrijk en Duitsland gestaag afneemt.

In Frankrijk vond in 2010 39 procent van de aanhang van de Parti Socialiste de invloed van de islam op de samenleving te groot. Nu is dat 52 procent. In Duitsland vindt 49 procent van de linksstemmers dat. Van de Fransen staat 77 procent vijandig tegenover islamitische politieke partijen of organisaties. Als oorzaken worden genoemd: de aanslagen in Parijs, de massale aanranding in Keulen en de migratiestroom. Het onderzoek rept van ‘permanente inflexibiliteit’ in beide landen van de samenleving tegenover de islam.

In Nederland zijn zulke onderzoeken gedaan door de EO, die vooral wilde weten of er verschillen waren tussen meningen van christenen en niet-christenen over de islam – nee – en door Maurice de Hond, in 2014, in opdracht van de PVV, met de stelling ‘de islamitische cultuur hoort niet bij Nederland’ stemde 50 procent van de PvdA- en 57 procent van de SP-stemmers in.

Ik moest denken aan Mehem Ghelali, projectleider bij een woningbouwcorporatie. Ik ontmoette hem toen ik anderhalf jaar onderzoek deed in de Rotterdamse Afrikaanderwijk, een van de oudste migrantenwijken van Nederland. Hij droeg zijn zoontje van een half jaar in een draagzak voor zijn borst. Dat had ik in de wijk waar voornamelijk moslims wonen nog nooit gezien. Hij plukte, zei hij, in zijn leven de vruchten van zijn Berberse opvoeding en zijn Nederlandse scholing. Hij vond zichzelf een voorbeeld van ‘een goede Nederlander’.

Totdat Theo van Gogh werd vermoord. Mehem vertelde dat zijn begripvolle linkse collega’s, met wie hij al zeven jaar samenwerkte, hem ineens vroegen: ‘Leg eens uit hoe dit kon gebeuren. Wat vind jij er nou van?’ ‘Ik antwoordde: „Ja, wat denk je?” Ik heb me nooit zo slecht gevoeld.’ En toen ik Mehem vroeg of hij kon uitleggen wat hem zo had gestoken, zei hij: ‘Ik was ineens moslim. En voor Nederlanders zijn moslims de ver-van-mijn-bedshow.’

Pim Fortuyn had die vervreemding van gewone autochtone Nederlanders tegenover moslims al vroeg aangevoeld. In 1997, toen bijna niemand hem nog serieus nam, schreef hij Tegen de islamisering van onze cultuur. Marcel van Dam had een schot voor open doel toen hij de schrijver in een tv-uitzending een ‘minderwaardig mens’ noemde. Het raakte Fortuyn diep.

Ik volgde Fortuyn op de dag van de gemeenteraadsverkiezingen van 2002. Onderweg naar de stembus werd hij omstuwd door Internationale Socialisten met borden waarop ‘Hollandse Haider’ stond. ‘Fascist ga terug naar je hol’, schreeuwde een meisje. Fortuyn draaide zich om en riep geëmotioneerd: ‘Moet ik mijn geboorte soms een belediging vinden?’

Het cultuurrelativisme van links

Toen hij begon aan zijn onstuitbare politieke opmars, bracht hij het boekje opnieuw uit, nu onder de constaterende titel De islamisering van onze cultuur. Alsof het geen pamflet was, maar een wetenschappelijk onderzoek. Het boekje is nu opnieuw uitgebracht en het is en blijft een pamflet. Tegen het cultuurrelativisme van de Linkse Kerk. Dat van Marcel van Dam en Wim Kok. Zoals we dat van hem kenden. Maar het boek is eerder een verdediging van de rechtsstaat, de parlementaire democratie en de gelijkheid van mannen en vrouwen dan een constatering dat onze cultuur werkelijk islamitisch aan het worden is.

Nu we alweer jaren gewend zijn geraakt aan de spreektaal van Geert Wilders, die bijvoorbeeld na de aanslagen in Brussel een verbod van de islam in Nederland niet uitsloot, doet het proza van Fortuyn ineens mild aan. Dit pamflet is geschreven door iemand die in Rotterdam-Zuid woont, in de wijk Feijenoord, en om zich heen de armoede ziet. Zijn toon is nieuwsgierig, kritisch en soms zelfs deemoedig. ‘Nederland met al zijn antidiscriminatiebepalingen en vooral de morele verontwaardiging over alles wat maar enigszins zweemt naar het maken van onderscheid tussen mensen op welk terrein dan ook, is een keiharde gesegregeerde samenleving.’

Fortuyn zag de wereld die ik tien jaar later in 2009 zou zien in Rotterdam-Zuid. Bijna 90 procent van de bewoners kwam en komt niet uit Nederland of heeft ouders die hier niet geboren zijn. Meer dan de helft leeft van een uitkering. De heersende sociaal-democratische bestuurders noemden de deelgemeenten ‘het gootje van de samenleving’, met de toevoeging: ‘die gootjes moeten ergens in Nederland zijn’. En dat was veel cynischer dan wat Fortuyn hier beweert.

In De islamisering van onze cultuur heeft Fortuyn geen moeite met moslims, maar met de politieke islam. En over de islam heeft hij in het politieke discours ook harder geoordeeld dan hij hier doet, als een ‘achterlijke cultuur’.

Al woonde hij in Rotterdam-Zuid, zijn observaties blijven die van een buitenstaander, zijn tekst is meer beschouwend dan onderzoekend. In die lacune voorziet journalist en arabist Maarten Zeegers. Hij woonde drie jaar in de achterstandswijk Transvaal in Den Haag en besloot er op onderzoek te gaan naar zijn buurtgenoten, in grote meerderheid moslims.

Hij is kritisch en deemoedig

Ook Zeegers’ toon is nieuwsgierig, kritisch en deemoedig. Hij schreef geen pamflet, hij deed antropologisch onderzoek naar de geloofsgemeenschappen in de wijk en schreef de kroniek Ik was een van hen. Drie jaar undercover onder moslims.

Hij bezoekt de salafisten van de Soennah-moskee en de Quba-moskee, volgt er godsdienstlessen. Hij ziet hoe de jonge revolutionairen, de sympathisanten van IS, de Koran-fanaten en de politieke wijkactivisten elkaar in hun afzonderlijke facties ontmoeten in snackbar Frankie. Hij bezoekt de gematigde oudere moslims, de vaders van de jonge revolutionairen in hun leeglopende moskees. En hij beschrijft ze met veel smaak. Het is een beeldschoon inkijkje in een samenleving die wij van buiten nooit zien.

Hij hoort de imams die hij bezoekt de jihad verheerlijken en ziet hoe ze tegelijkertijd hun best doen Syrië-gangers tegen te houden. ‘Ik heb er schoon genoeg van’, citeert hij de imam van de zuiver salafistische Quba-moskee. ‘Als ik nog één keer iemand hoor zeggen dat het verplicht is om naar Syrië te gaan, trap ik hem eigenhandig de moskee uit.’

Hij zoekt ronselaars, maar vindt ze niet. ‘De grootste ronselaars zijn sjeik Facebook, imam Twitter en broeder YouTube’, schrijft hij en hij noemt de links en de pagina’s.

Zeegers komt bijna in de verleiding zich als spion voor het karretje van de AIVD te laten spannen, maar gelukkig doet hij dat niet. Of hij laat de lezer expres in spanning. Waarom gaat hij dan wel undercover, vraag ik me steeds af. Was dat nodig? Ik heb zelf ondervonden dat je als journalist ook in oude migrantenwijken met dagelijkse bezoeken, telefoontjes en veel geduld het vertrouwen van bewoners, ook van extremisten, kon winnen.

Aan het begin van zijn onderzoek kondigt Zeegers aan te gaan leven als een vroom moslim, omdat dat ‘de enige manier lijkt om de islamitische gemeenschap binnen te komen’ en omdat hij alleen dan kan weten hoe het is om moslim te zijn in Nederland. In die laatste opzet is hij geslaagd: hij is als moslim zo geconcentreerd als een middeleeuwse monnik.

Leven met twee identiteiten

In 2012 werd Zeegers Syrië uitgezet nadat hij over de oorlog in NRC Handelsblad berichtte. Hij is gewend te leven met twee identiteiten, maar hij worstelt er ook mee. De angst betrapt te worden, de woordenwisselingen met zijn Syrische vrouw. Hij schreef verschillende reportages over zijn verblijf in Transvaal voor de Volkskrant. De ombudsvrouw van die krant schreef vorige week dat Zeegers de redactie niet verteld had dat hij undercover in de wijk verbleef.

Ook Zeegers oordeelt mild. Hij beschrijft extremisten nauwkeurig zonder parabolen te gebruiken. Hij spreekt vaker zijn zorg uit over de groeiende kloof tussen allochtonen en autochtonen, moslims en niet-moslims in zijn wijk. ‘De Nederlandse overheid maakt zich zorgen over het gebrek aan integratie en de islamisering van oude volkswijken. De inwoners zelf maken zich daar nauwelijks druk om.’

Pim Fortuyn schreef destijds dat ‘als gevolg van onze desinteresse voor onze eigen identiteit en voor het wezen van onze samenleving, onze oorspronkelijke cultuur in het defensief (dreigt) te worden gedrongen. Dit moeten we met man en macht zien te voorkomen.’

Blijmoedig de islam omarmen

Die desinteresse doet me denken aan Michel Houellebecq, die vorig jaar in zijn roman Soumission (vert. Onderworpen) beschreef hoe Frankrijk met al zijn laïcité en zijn hele Verlichting gelaten, bijna blijmoedig de islam omarmt onder de eerste moslimpresident Mohammed Ben Abbes.

De vrouwen, dat is eigenlijk de enige zichtbare verandering in de islamitische staat die Frankrijk wordt. Studentes hebben ‘natuurlijk een hoofddoek om, over het algemeen een witte’. Op een receptie van de Sorbonne (met maansikkel en ster naast de ingang nadat een Saoedische prins haar heeft gekocht) ziet de hoofdpersoon pas ‘na drie kwartier rondlopen tussen de andere gasten, na een tiental mezze en vier glazen rode wijn, wat er niet klopte: er waren alleen maar mannen. Er was geen enkele vrouw uitgenodigd.’

Wijn is er dus nog wel, net als sigaretten. De nieuwe president staat een gematigde islam voor. Zijn belangrijkste programmapunt, de herwaardering van het gezin, is ook de belangrijkste reden van zijn succes bij seculiere Fransen – naast het feit dat zijn voornaamste tegenstander, het Front National van Marine Le Pen voor veel mensen geen alternatief is. De mannen hebben er geen last van, eerder voordeel volgens Houellebecq. Zij krijgen er een gedienstige huisvrouw voor terug, en, in het geval van de universiteitsvoorzitter, haar vijftienjarige dochter als tweede vrouw, voor in bed.

Rechts Frankrijk heeft er geen problemen mee, want het kerngezin van Ben Abbes is helemaal niet zoveel anders dan het katholieke ideaal. Links Frankrijk is ook tevreden want doordat de vrouwen niet meer buitenshuis werken daalt de werkloosheid spectaculair.

Het is nog te vroeg om vast te stellen of Fortuyn en Houellebecq gelijk zullen krijgen. Het stof van de grootste immigratie sinds de jaren 60 is nog niet neergedaald. Integendeel, het dwarrelt steeds opnieuw op. Dan is het goed dat journalisten als Zeegers intussen met aandacht onderzoeken wat er gaande is.