Bejaard

De meeste van onze buren zijn bejaard en alleen. Bij mooi weer tref ik ze wel eens, dan steken ze hun hoofden in de kinderwagen en dan komen ze superlatieven tekort over De Dochter van nul die oude mensen met haar glimlach kan betoveren. Ik ging me er tijdens de tochtjes naar de supermarkt haast een beter mens door voelen, soms maakte ik mezelf zelfs wijs dat ik daar liep om de oudjes te plezieren.

Zo zat ik namelijk in elkaar.

Met de complimentjes kwamen de praatjes.

Zo vroeg ik aan de bejaarde vrouw van een paar huizen verderop of ze plantjes water aan het geven was. Ze had namelijk een groene gieter in haar hand.

„Nee, natuurlijk niet”, zei ze. „Er liggen hier toch alleen maar betonnen tegels? Ik sta hier mijn eenzaamheid te bestrijden.”

Hup, daar kropen de goeierds uit ons genenpakket weer tevoorschijn.

De Dochter pieste met een extra grote glimlach nog maar eens over het bejaarde hart en ik hoorde mezelf praten over het lekkere weer en de tramhalte die vanwege werkzaamheden tijdelijk was opgeheven. De bejaarde op haar beurt vertelde wat ze het liefst zou willen doen met de poezen die in haar tuintje poepten: in een zak stoppen en dan in de sloot gooien. Deden ze vroeger ook, maar daar had ze tegenwoordig de kracht niet meer voor. Een wandeling naar het buurthuis twee straten verderop ging nog net. Op dinsdagen at ze daar voor drie euro met de (stamp)pot mee, dan zag ze de andere bejaarden uit de buurt.

„Gezellig”, zei ik.

„Hoezo?”, antwoordde ze. „De meeste ken ik al mijn hele leven, die heb ik niets meer te vertellen.”

„Eet anders een keer met ons mee”, zei ik joviaal. „Bel gewoon aan. We maken toch altijd te veel.”

Een paar dagen later, ik was alleen thuis, sloeg de schrik me om het hart toen ik haar vanuit het raam opeens naar ons huis zag lopen in die zwarte jurk. Het liep tegen zessen dus ik ging er maar van uit dat ze honger had. Had ik het rijk een keer alleen, moest ik zeker met haar aan de keukentafel...

Ik heb gedaan alsof ik er niet was.

Ook nadat ze voor de tweede keer had aangebeld, bleef ik op de bank zitten.

Een paar uur later kwam De Vriendin thuis.

In haar hand het witte konijntje dat kwijt was.

„Kijk dan”, zei ze. „Iemand heeft het op straat gevonden en door de brievenbus gegooid. Zo lief.”