Wat doe je hier? Ben je moslim?

Islam Maarten Zeegers werkte drie jaar als ‘undercovermoslim’ in Den Haag. Het gevolg van de moeizame relatie tussen journalisten en moslims, schrijft NRC-redacteur Andreas Kouwenhoven.

Illustraties Anna Klevan

Als journalist een moskee bezoeken is altijd informatief, tot een zeker moment. Dat is het moment waarop je moet vertellen dat je journalist bent.

Tot die tijd kun je achterin de moskee kijken naar het gebedsritueel, en een praatje maken met de plukjes bezoekers die na het gebed blijven hangen. Maar dan, vaak al na een minuut of vijf, wordt de vraag gesteld. „Ben jij moslim? Of kom je hier uit belangstelling?”

„Ik kom hier als journalist”, zeg ik dan. Want zo zijn de regels van NRC: je maakt je kenbaar als journalist.

Het nadeel van die regel is dat het gesprek dan meestal gauw is afgelopen.

Er zijn nauwelijks journalisten die moslim zijn

„Aha, een journalist”, zeggen bezoekers vaak, „dan moet je bij het bestuur zijn.” Het bestuur heeft geen tijd, maar zegt dat je terug kunt komen met een afspraak. Een afspraak die er doorgaans niet komt, vooral wanneer het zeer orthodoxe moskeeën betreft. Het bestuur van een Arnhemse moskee, die voorheen werd bezocht door Syriëgangers, belde ik bijna een jaar lang maandelijks op om te vragen of ik eindelijk langs kon komen. Iedere maand was er een andere reden om te weigeren. Het bestuur was net nieuw, op vakantie, in overleg, weer op vakantie – en de deur bleef dicht.

Journalist Maarten Zeegers pakte het anders aan. Hij deed zich drie jaar voor als moslim in het Haagse Transvaalkwartier en publiceerde er recent een boek over: Ik was een van hen. Als ‘undercovermoslim’ schetst hij het leven in een overwegend islamitische wijk.

Zijn methode leidde tot veel kritiek. Op opiniepagina’s van NRC en de Volkskrant werd zijn undercoveractie de afgelopen weken onnodig en onethisch genoemd. De Nijmeegse antropoloog Martijn de Koning schreef woensdag op zijn blog zelfs dat het boek niet had mogen worden uitgebracht, omdat Zeegers de privacy van moslims zou hebben geschaad. Als Zeegers de tijd had genomen het vertrouwen van moslims te winnen, had hij nagenoeg hetzelfde boek kunnen schrijven zonder zijn omgeving te hoeven voorliegen, meent De Koning.

Critici vergeten wel een belangrijk gegeven: de enorme achterdocht die er onder moslims heerst tegenover ‘witte’ media. Delen van de moslimgemeenschap zijn zo ontoegankelijk, dat de vraag is of undercoverjournalistiek niet de enige manier is om bloot te leggen hoe moslims tegen bepaalde zaken aankijken.

Wat is jouw intentie?

De media-argwaan gaat bij sommigen zo ver, dat algemene vragen over de wijk of moskee al niet worden beantwoord, zo is mijn ervaring. Voordat mensen antwoord geven, willen zij weten „met welk doel” je die vragen stelt. Uitleggen dat je aan objectieve journalistiek doet, heeft geen zin. „Maar wat is jouw intentie dan? Wat wil jij?”. Vraag je door, dan hoor je dat sommigen ervan uitgaan dat álle journalisten de islam willen zwartmaken met hun negatieve berichtgeving.

Journalisten die over andere onderwerpen schrijven, ervaren ook een toenemend wantrouwen tegenover media, maar in de moslimgemeenschap lijkt dit sentiment breder en heviger aanwezig.

Dat valt te begrijpen. Er zijn nauwelijks journalisten die moslim zijn, wat ertoe kan leiden dat redacties de moslimgemeenschap bekijken met een ‘witte blik’. Vaak is de aanleiding voor een publicatie over de islam negatief, bijvoorbeeld terrorisme, radicalisering of fundamentalisme. Dat heeft te maken met de journalistieke reflex om alles wat afwijkt van de norm als nieuws te beschouwen. Een vreedzame demonstratie is voor mediaredacties geen nieuws, behalve als er iets naars wordt geroepen over joden. Een islamitisch benefietgala is geen nieuws, behalve als er omstreden imams komen preken. Vanuit journalistiek oogpunt misschien verdedigbaar, maar dit mechanisme zorgt er wel voor dat media een beeld van moslims neerzetten dat weinig meer met de realiteit te maken heeft.

Het resultaat: een moslimgemeenschap die zich nog verder afsluit voor media uit angst voor stigmatisering. Begin dit jaar belde ik met een Zuid-Hollandse moskee waar een groep mogelijk geradicaliseerde jongeren een lezing organiseerde. Ik vroeg de moskeebestuurder hoe hij deze jongeren inschatte. Nog geen uur later belde hij terug met de mededeling dat hij de lezing onmiddellijk had afgelast en of ik nu alsjeblieft de naam van zijn moskee niet zou vermelden in de krant. Of die jongeren waren geradicaliseerd, wist hij niet. Maar waarom laste hij hun lezing dan af? De bestuurder zei dat hij „geen gedoe” wilde rond zijn moskee.

Illustraties Anna Klevan

Oppervlakkige journalistiek

Deze geslotenheid heeft op zijn beurt weer invloed op de mediaberichtgeving over de islamitische gemeenschap: die blijft tamelijk oppervlakkig. Neem het debat over salafisten, een fundamentalistische islamstroming. Politici overwogen vorig jaar salafistische organisaties te verbieden omdat zij een voedingsbodem zouden vormen voor radicalisering. Maar of deze bewerking klopt? Geen enkel journalistiek medium kwam eruit. Berichtgeving over salafisten beperkt zich tot het vermelden van flyers van lezingen waarop omstreden predikers staan aangekondigd. Relletje, lezing afgelast, maar aan het eind weet nog steeds niemand hoe het écht zit.

Zelf deed ik vorig jaar onderzoek naar de Utrechtse salafistische stichting Al Fitrah. Het leverde een beeld op van een imam die jongeren aanleert een afkeer te hebben jegens ongelovigen. Dat beeld moest ik voornamelijk baseren op Facebookposts en lezingen op Youtube van de imam, die mij zelf niet te woord wilde staan, net als veel van zijn volgelingen.

Door als moslim te leven, had Zeegers wél toegang tot Haagse salafistische moskeeën. Hij hoorde in deze moskeeën imams de jihad en het martelaarschap verheerlijken. Dit laat zich moeilijk rijmen met hun inspanningen om Syriëgangers tegen te houden. Ook krijgen we dankzij het boek voor het eerst inzicht in Hizb ut-Tahrir, een beweging die naar eigen zeggen geweldloos streeft naar de vestiging van een kalifaat. In de Tweede Kamer gaan stemmen op deze beweging te verbieden, zonder dat iemand weet wat in hun besloten huiskamerbijeenkomsten wordt gezegd. Zeegers beschrijft hoe een jongen zich tijdens zo’n bijeenkomst voorbereidt op de jihad en hoe een spreker van Hizb ut-Tahrir zich dubbelzinnig uitlaat over de aanslag op Charlie Hebdo. „Het is niet verboden”, tekent Zeegers op uit de mond van de spreker.

Al eerder probeerden journalisten en wetenschappers toegang te krijgen tot deze bijeenkomsten. Nooit gaf Hizb ut-Tahrir toestemming.

Maarten Zeegers sprak in Pauw over zijn boek: