Moderne dromedarissen hebben geen oerdromedaris-DNA meer

De genetische diversiteit van dromedarissen is voor het eerst in kaart gebracht. Het lastdier verspreidde zich snel.

Toen de dromedaris een lastdier werd, verspreidde hij zich snel over het Midden-Oosten en Afrika. Daarop wijst een grote studie naar de genen van de dromedaris, deze week in PNAS.

De studie brengt voor het eerst de wereldwijde genetische diversiteit van dromedarissen in kaart. Voor het onderzoek is van 1.083 moderne dromedarissen DNA verzameld, en van een klein aantal oude wilde en tamme dromedarissen uit opgravingen.

Dromedarissen (Camelus dromedarius) werden rond 1100 à 800 voor Christus gedomesticeerd – dat was al bekend. Vanaf die tijd worden tamme dromedarissen afgebeeld en liggen er veel botten in en rond menselijke nederzettingen. Die botten zijn ook kleiner dan die van wilde dromedarissen.

Beenderen van wilde dromedarissen zijn echter schaars; ze zijn alleen gevonden in het zuidoosten van het Arabisch schiereiland. Die dromedarissen leefden niet in de woestijn, maar aan de kust (zoals in mangroves) waar ze zoutrijke planten aten. Rond het begin van de jaartelling stierven de wilde dromedarissen uit.

De onderzoekers haalden DNA uit acht botten van zulke wilde dromedarissen. Dat is technisch moeilijk, omdat de botten aan zon en hitte hebben blootgestaan.

De genetici hadden verwacht dat in de moderne dromedarissen die nu in dat gebied leven, DNA-sporen te vinden zouden zijn van die ‘oerdromedaris’. Dat blijkt niet zo. Wereldwijd behoren dromedarissen tot dezelfde populatie, die wel divers is – geen inteelt dus. Dat er één gemiddelde dromedaris bestaat, duidt erop dat de dieren na hun domesticatie in korte tijd over grote afstanden vervoerd werden. Alleen de moderne dromedarissen in Oost-Afrika wijken een beetje af. Mogelijk zijn die daar in het verleden afzonderlijk ingevoerd, per schip.

De genetici speculeren dat dromedarissen nadat ze getemd werden, nog paarden met wilde dieren.