Een kinderpornorechercheur moet op tijd stoppen met kijken

Hoe gaat het met kinderpornorechercheurs die dagelijks beelden van misbruikte kinderen moeten kijken? Best goed, zo blijkt uit onderzoek.

Als kinderpornorechercheurs op een verjaardag zeggen wat ze doen, vallen de meeste gesprekken dood. De vooroordelen over hun beroep zijn legio, maar hebben een gemeenschappelijke veronderstelling: ‘Dat kan niet gezond zijn. Is er iets mis met ze?’

Organisatiepsycholoog Henk Sollie kan die vraag inmiddels van een gefundeerd antwoord voorzien: nee, er is niks mis met kinderpornorechercheurs. „Integendeel zelfs”, zegt hij, „ze kunnen de stress van hun vak prima aan”.

Sinds oktober 2012 zijn er binnen de Nederlandse politie elf Teams Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (TBKK) actief en buigen 150 kinderpornorechercheurs zich dagelijks over het oprollen van netwerken. Die aanpak heeft resultaat. Zo slaagde de recherche er in november 2015 in om, samen met de FBI en de Australische politie, het grootste kinderpornonetwerk ter wereld te ontmantelen. Dat netwerk had wereldwijd 45.000 leden. Twee van de beheerders waren Nederlanders. Die zitten inmiddels een gevangenisstraf uit. Om de veroordeling voor elkaar te krijgen, moesten rechercheurs ruim 380.000 foto’s en filmpjes doorploegen.

Misbruikte kinderen kijken

Dat betekent: urenlang naar misbruikte kinderen kijken. Welk effect zulke werkzaamheden hebben op de geestelijke gesteldheid van de rechercheurs, was nog nooit onderzocht. Tot vorig jaar, toen Henk Sollie na urenlang observeren en interviews met dertig rechercheurs en vijf teamleden, de conclusie trok dat kinderpornorechercheurs geen noemenswaardig hoge werkstress ervaren.

Sollies onderzoek duikt dieper in het waarom van die stressbestendigheid. Weliswaar screenen deze rechercheurs elke dag urenlang foto’s en filmpjes waarop kinderen misbruikt worden, maar ze mogen zelf bepalen wanneer het genoeg is geweest.

„Die autonomie is heel belangrijk”, stelt Sollie. Waar de ene rechercheur een hele dag kan ‘classificeren’, kijkt een ander alleen in de ochtend, zodat de overgang van werk naar huis – „de andere wereld”, zoals een van hen het typeert in het onderzoek – niet al te abrupt is.

Thuis houden de meeste rechercheurs de details van hun werk voor zich: als ze al mogen praten over een onderzoek, zijn de details ervan simpelweg te gruwelijk om te delen. Daarvoor hebben rechercheurs elkaar, en dat is voldoende.

Collegiale steun is dus onontbeerlijk, en die vinden ze niet alleen in praten, maar ook door in elkaars nabijheid te werken.

„Kinderpornorechercheurs kijken nooit alleen naar beelden”, legt Sollie uit. „Zo houden ze ook elkaar in de gaten. ‘Goh, ik hoor je al drie keer zuchten, zullen we even een bakkie doen?’, zeggen ze dan. Van een machocultuur is geen sprake.”

Emotionele afstand

In collegiaal verband porno kijken is wel wennen, blijkt uit een citaat uit Sollies onderzoek. „In eerste instantie keek ik uit mijn ooghoeken”, zegt de anoniem opgevoerde rechercheur, „want het is gewoon raar om open en bloot met je collega’s naar kinderporno en de gewone porno, die ertussen zit, te kijken. Maar op een gegeven moment ga je beter opletten. Na een uurtje zag ik geen kind en geen porno meer.”

Die emotionele afstand is cruciaal: de rechercheurs bekijken een ‘plaats delict’, en analyseren die ook als zodanig. Details uit de achtergrond kunnen een draadje naar een dader zijn. Een poster, etiketten van toiletspullen, knuffels. Zo leidde een Nijntje-knuffel in de beruchte Hofnarretje-zaak naar Robert M., die nu een celstraf van achttien jaar uitzit.

Hoe meer ervaring een rechercheur heeft, hoe minder de beelden hem of haar raken: ze kijken naar een plaats delict, zien met hoge snelheid veel beelden voorbijkomen en weten hoe ze de nodige afstand moeten houden om die te analyseren. Zo vermijden ze de kinderen in het gezicht te kijken en staat het geluid bij voorkeur uit, behalve als de rechercheurs stem of taalgebruik moeten beoordelen.

„Hoe ervaren een rechercheur ook is, een huilend of gillend kind komt altijd binnen”, zegt Sollie. „Dus ja, het risico dat ze na iedere muisklik iets zien dat hen enorm raakt, is erg groot.” Vooral misbruik van baby’s en heel kleine kinderen, en de denigrerende opmerkingen die deze tijdens de daad naar hun hoofd geslingerd krijgen, hebben veel impact.

Dagelijkse bak ellende

Die dagelijkse bak ellende heeft dan wel geen gevolgen voor de stressbeleving, toch betalen kinderpornorechercheurs een prijs: ze worden hyperalert in de omgang met kinderen. Zo zegt een rechercheur in het onderzoek: „Tijdens de zwemles let ik niet op de kinderen, maar op de zwemleraar. Dan valt mij op dat hij alleen met de jongens speelt en de meisjes links laat liggen.” Kinderen in bad doen, luiers verschonen: de associaties met wat ze dagelijks voorgeschoteld krijgen, liggen altijd op de loer. Toch weegt die prijs voor alle rechercheurs op tegen de ‘beloning’: het stoppen van een kindermisbruiker. „Dat is waar ze het voor doen”, zegt Sollie, „en als het lukt, geeft dat ze ontzettend veel voldoening én motivatie om door te gaan.”