Smakkelijk

Het ‘restaurant’ bij mij om de hoek dat gewoon een snackbar is, wordt gerund door drie Egyptische broers en diverse kinderen. Ze serveren hun frikandellen, kroketten en friet met zichtbare tegenzin, ze smijten het nog net niet over de toonbank.

„Smakkelijk”, zei een van broers toen hij twee plastic bakjes voor me op een tafeltje zette. Dat ik na het bestellen meteen buiten op het miniterrasje aan de weg was gaan zitten, betekende voor hem extra werk. Hij kon niet nalaten om dat even te zeggen. Ik knikte begrijpend, zelf deed ik ook het liefst zo min mogelijk moeite.

Ik begon aan de maaltijd.

‘Is gewoon vlees’, zei hij.

‘Is groen vlees’, zei ik

Er brak een tandje van mijn plastic vork, zo knapperig was de friet.

De frikandel was goed op temperatuur, maar na de eerste ferme hap zag ik een grote groene stip tussen het vlees.

Met een dienblad met plastic bakjes in de ene hand en De Dochter op de andere arm meldde ik me tussen de wachtenden in de snackbar. De klacht werd afgehandeld door de oudste van de broers, die ons handig mee naar buiten loodste. Hij pakte zichtbaar geïrriteerd de frikandel met twee vingers uit de mayonaise in het plastic bakje en hield hem tegen het licht, alsof hij een juwelier was die een kostbare steen bekeek.

„Is gewoon vlees”, zei hij.
„Is groen vlees”, zei ik.

Ik pakte de frikandel van hem over en wees naar de stip, waarin ik een uitloper van een schimmel meende te zien. De Dochter hapte er naar, mis gelukkig.

„Zij vindt wel lekker”, zei de frietverkoper.

Ik zag mezelf in de etalageruit, de bleke benen in een korte broek. De zon scheen, stond ik hier nu echt een zinloos gesprek te voeren?

Ik sjokte terug naar mijn plastic stoel aan de weg, waar ik verontwaardigd op een veel te hard frietje ging kauwen. Opeens was hij er weer. In zijn hand een nieuw plastic vorkje, service van de zaak.

De volgende ochtend zag ik de man weer. Deze keer zat hij in het lichaam van Roger van Boxtel die als interim-president-directeur van de Nederlandse Spoorwegen naar het televisieprogramma Buitenhof was gekomen om recht te praten wat krom is. Ik noteerde dat NS een fantastisch bedrijf is, dat NS bij de drie beste spoorwegbedrijven ter wereld hoort, dat hij van het spoor was gaan houden en dat stations ‘vindplaatsen van geluk’ zijn.

In gedachten deed ik wat ik een dag eerder al had moeten doen. Ik pakte hem bij zijn kapseltje en duwde hem heel even met zijn gezicht in het sissende frituurvet.

„Dat is niet heet”, zei ik toen hij begon te sputteren.