Moet ook de gewone politieman kunnen doden?

Terrorisme plaatst agenten onder grote druk. Maak hen minder kwetsbaar voor vervolging, betoogt Kees van der Vijver.

Nederland kent al lang terroristisch geweld. Denk aan de Molukse gijzelingen en de bezetting van de Franse ambassade in de jaren zeventig. Dat was ander terrorisme dan wij nu zien: de daders wilden concrete politieke doelen bereiken door (dreiging met) geweld. Het geweld was relatief beheerst, het aantal dodelijke slachtoffers was beperkt en zelfmoordacties kwamen niet voor.

Hoe anders is dat nu. In het hedendaagse terrorisme gaat het er vooral om grote aantallen onschuldige slachtoffers te maken door op onverwachte momenten en plaatsen toe te slaan. Optreden van de politie krijgt zo steeds meer het aanzien van militaire actie met schotenwisselingen, zoals in Parijs, Brussel en Verviers – Nederland is tot nu de dans ontsprongen.

Dergelijk optreden is niet te vergelijken met wat we tot een paar jaar terug als de normale politietaak zagen. Uitgangspunt was altijd iemand uitschakelen met zo min mogelijk geweld.

Dodelijk geweld kon gerechtvaardigd zijn (bijvoorbeeld bij schietpartijen), maar het was nooit de opzet. Bij het nieuwe terrorisme kunnen zich situaties voordoen waarbij het afwenden van dreiging eigenlijk alleen effectief is als de politie onmiddellijk dodelijk geweld toepast. Bijvoorbeeld wanneer men iemand ziet die aan het touwtje van een bomgordel gaat trekken. Dan helpt een schot in de benen niet meer. En dat is een ander uitgangspunt dan wat wij van oudsher gewend zijn.

Stel nu dat de politie dodelijk geweld heeft toegepast in zo’n situatie. Dat zal niet als een probleem worden beschouwd wanneer er inderdaad sprake was van een bomgordel of een plofkoffer. Maar als die er niet waren? Dan is er een onschuldige burger gedood. Expres, en niet per ongeluk. De verwijten kunnen dan snel volgen. Ook het omgekeerde kan. De politie gebruikt geen geweld en alsnog gaat de gordel af. Ook dan zal er kritiek zijn.

De dilemma’s zijn hels, er moet in een fractie van een seconde worden beslist. Hoezeer we ook mogen constateren dat de politie in West-Europese landen terughoudend en professioneel optreedt, is er de kans dat het een keer misloopt. Bijvoorbeeld als iemand in een panieksituatie een beweging maakt die de politieman of –vrouw doet denken dat er een bom gaat ontploffen.

De in de vorige eeuw opgerichte Bijzondere Bijstandseenheden waren bedoeld als reactief opererende geweldsspecialisten. Het dreigingsbeeld is gekanteld en het politieoptreden ook. We zien overal in Europa met pistoolmitrailleurs bewapende politiemensen en militairen.

In Nederland zijn nieuwe eenheden opgericht om het gat tussen de oorspronkelijke Bijzondere Bijstandseenheden en politieman op straat te dichten. Maar zij zullen zelden op tijd ter plaatse zijn. En dat betekent dat iedere politieambtenaar ermee te maken kan krijgen.

Aan deze veranderde situatie is weinig te doen. Wel is het van belang dat de politie en krijgsmacht zich zo goed mogelijk voorbereiden: getrainde speciale eenheden, maar ook goed voorbereide ‘gewone’ politie. Wanneer is de dreiging reëel?

In de tweede plaats is het belangrijk dat er aandacht komt voor deze dilemma’s in de ambtsinstructie. De verantwoordelijkheid mag niet volledig op de schouders worden gelegd van de individuele agent.

In de derde plaats moet het beoordelen van politieel geweldgebruik op een andere manier worden georganiseerd.

Op dit moment staat de strafrechtelijke beoordeling centraal: het gebruik van geweld kan van de ambtenaar gemakkelijk een verdachte maken. Niet terecht – zijn werkgever stuurt hem met dodelijke wapens de straat op, dan hoort die werkgever het oordeel niet over te laten aan het OM. Bovendien staat deze aanpak haaks op het verbeteren van het optreden.

Het verdient de voorkeur om er een primair professionele beoordeling van te maken, getoetst door een tuchtrechter.