Moet ook de gewone politieman kunnen doden?

In de benen schieten of doden? Terrorisme plaatst agent onder grote druk. Maak hem minder kwetsbaar voor vervolging, betoogt Kees van der Vijver.

Nederland kent al lang terroristisch geweld. Denk aan de Molukse gijzelingen en de bezetting van de Franse ambassade. Dat was ander terrorisme dan nu: daders wilden concrete politieke doelen. Het geweld was relatief beheerst, het aantal slachtoffers beperkt. Hoe anders is dat nu. In het hedendaagse terrorisme gaat het vooral om grote aantallen onschuldige slachtoffers, het destabiliseren van de samenleving door bommen en zware vuurwapens. Optreden van de politie krijgt steeds meer het aanzien van militaire actie met schotenwisselingen, zoals in Parijs, Brussel en Verviers – Nederland is tot op heden de dans ontsprongen.

Dergelijk optreden is niet te vergelijken met wat we tot een paar jaar terug als de normale politietaak zagen. Uitgangspunt was altijd iemand uitschakelen met zo min mogelijk geweld. Dodelijk geweld kon gerechtvaardigd zijn, maar het was nooit de opzet. Bij het nieuwe terrorisme kunnen zich situaties voordoen waarbij het afwenden van dreiging eigenlijk alleen effectief is als de politie onmiddellijk dodelijk geweld toepast. Bijvoorbeeld als iemand aan het touwtje van een bomgordel gaat trekken. Dan helpt een schot in de benen niet meer. Een ander uitgangspunt dan we gewend zijn.

Stel nu dat de politie dodelijk geweld heeft toegepast in zo’n situatie. Dat zal niet als een probleem worden beschouwd wanneer er inderdaad sprake was van een bomgordel. Maar als die er niet was? Verwijten zullen volgen. Ook het omgekeerde kan. De politie gebruikt geen geweld en alsnog gaat de gordel af. Ook dan zal er kritiek zijn. Dilemma’s zijn hels, er moet in een fractie van een seconde worden beslist. Hoezeer we ook mogen constateren dat de politie in eigenlijk alle West-Europese landen terughoudend en professioneel optreedt, is de kans dat het een keer misloopt niet denkbeeldig. Bijvoorbeeld als iemand in een panieksituatie een beweging maakt die de politieman of -vrouw doet denken dat er een bom gaat ontploffen.

De in de vorige eeuw opgerichte Bijzondere Bijstandseenheden waren bedoeld als reactief opererende geweldsspecialisten. Het dreigingsbeeld is gekanteld en het politieoptreden ook. We zien overal in Europa met pistoolmitrailleurs bewapende politiemensen en militairen. In Nederland zijn nieuwe eenheden opgericht om het gat tussen de oorspronkelijke Bijzondere Bijstandseenheden en de politieman op straat te dichten. Maar zij zullen zelden op tijd ter plaatse zijn. En dat betekent dat iedere politieambtenaar ermee te maken kan krijgen. Het is van belang dat de politie en krijgsmacht zich hierop zo goed mogelijk voorbereiden: getrainde speciale eenheden, maar ook goed voorbereide ‘gewone’ politie. Wanneer is de dreiging reëel?

In de tweede plaats is het belangrijk dat er aandacht komt voor deze dilemma’s in de ambtsinstructie. De verantwoordelijkheid mag niet volledig op de schouders worden gelegd van de individuele agent.

In de derde plaats moet het beoordelen van politieel geweldgebruik op een andere manier worden georganiseerd. Op dit moment staat de strafrechtelijke beoordeling centraal: het gebruik van geweld kan van de ambtenaar gemakkelijk een verdachte maken. Niet terecht – zijn werkgever stuurt hem met dodelijke wapens de straat op, dan hoort die werkgever het oordeel niet over te laten aan het OM. Bovendien staat deze aanpak haaks op het verbeteren van het optreden. Het verdient de voorkeur om er een primair professionele beoordeling van te maken, getoetst door een tuchtrechter.