Teeuwen razend knap en extreem geestig

Première ‘Echte Rancune’ In het beste cabaret van 2016 is Hans Teeuwen manisch als in zijn jonge jaren. Amoreel en confronterend.

Foto: Tom Bertels

Het zijn verwarrende tijden, zegt Hans Teeuwen aan het begin van Echte Rancune, zijn zevende soloprogramma. Want wie zijn de slachtoffers, wie de fascisten? Tijden die vragen om cabaret, voegt hij er aan toe en je voelt de vette grijns die onder die tekst zit. We zijn welkom geheten in het gekantelde universum van Teeuwen, waarin we geen traditioneel cabaret met maatschappelijk protest of ideologische belijdenissen hoeven te verwachten.

In plaats daarvan hult Teeuwen zijn publiek in een wervelwind van uit de bocht gierende gekte, met surrealistische acts, muzikale slapstick, verhaspelde logica en een arsenaal aan stemmen, personages en gebaren. Maar niet zonder toch ook op geheel eigen wijze de draak te steken met de discussie over racisme en met de islam.

Het leidt tot een knettergoed eerste uur, waarin Teeuwen zijn brille demonstreert met harde, zwarte humor en vlijmende satire – het beste uur cabaret van dit seizoen. Teeuwen kan je hardop doen schateren, en je lach laten sterven in schuldgevoel en bewondering. Omdat de grap een grens overschrijdt en omdat de grap zo goed geconstrueerd en geplaatst is. In zijn onsentimentele denken is zelfs zijn vaderschap en dochtertje van twee jaar niet veilig.

Hoogtepunt is een gelaagde racistische grap over racisme, de uitsmijter van een briljant tegendraads nummer over huidskleur en ras, waarin hij en passant een kinderversje verwerkt. Het is één van de vele keren dat hij kortstondig in zingen uitbarst om het komisch effect te vergroten. Een neiging die zijn gezongen uithaal naar de Nederlandse musical in een ander, subtieler licht stelt.

Schitterend is hoe hij een pompeuze schrijver parodieert. Zo’n parodietje klinkt als een ongewoon gewone grap voor Teeuwen, maar hij speelt een man die bij het draaien op zijn stoel bevangen raakt door zijn eigen fysiek. Plots schreeuwt deze schrijver het uit bij het zien van zijn hand, alsof het een ontraceerbaar object is. Een ogenblik later zuigt hij intens verlekkerd zijn vingers af. Tussendoor spreekt hij zijn wollige volzinnen uit alsof er niets aan de hand is - alsof die tics ongezien blijven. Het sublieme van de scène is dat Teeuwen laat zien hoe de schrijver als het ware laveert van de ene naar de andere werkelijkheid.

Teeuwen laat je keiharde lach sterven in gevoelens van schuld en bewondering

Wat de caleidoscopische stijl van Teeuwen verder typeert is dat hij die scène afbreekt om zijn liefde voor iemand op de eerste rij uit te spreken. En dat is bij hem het soort liefde waarin hij fantaseert dat de ander een konijn is, zodat hij op zijn kop kan pissen en hem met een wortel kan slaan. Zo slalomt zijn fantasie maar door. Het tempo en de schakeringen zijn adembenemend en de timing feilloos. Hoewel Teeuwen al enkele shows meer rust inbouwt en meer quasi-zichzelf is, laait in dat eerste uur het manische vuur uit zijn jonge jaren weer vol op.

Op de vergelijking met eerdere programma’s reageert Teeuwen al sinds zijn tweede programma ironisch („Ik doe heilige huisjes en taboes. Maar vooral heilige huisjes.”) Zo ook in deze voorstelling, al etaleert hij nu minder bravoure. Eerst neemt hij de tijd om zijn publiek bestraffend toe te spreken over hun gebrek aan loyaliteit bij zijn uitstapjes naar muzikale projecten in de afgelopen jaren. Teeuwen is een te zelfbewuste comedian om niet te merken dat hij bijna serieus bitter klinkt en hij rondt het af met een grap over hoe hij de sfeer verpest.

De discussie over zijn reputatie van shockcomedian geeft hij verder voeding met een liedje over seks tussen onbekenden, dat als refrein niet meer dan „geile neukseks, geile geile neukseks” heeft. Die ogenschijnlijke gemakzuchtige obsceniteit krijgt lading als hij daarna een act begint waarin hij zich beklaagt over kritiek die hem ‘afgezaagd’ zou noemen. De koppeling tussen de twee nummers maak je pas achteraf, want Teeuwen heeft het vermogen je geheel op te slorpen en je gevangen te houden in het moment. Terugdenkend zie je pas hoeveel structuur er steekt in de sequentie van omslaande stemmingen en contrasten.

Dat het laatste half uur wat trekt, ligt aan twee langere verhalen, die minder goed werken omdat ze te veel in dezelfde kleur zijn getoonzet. In het eerste is Teeuwen een lampenverkoper met een ongezonde obsessie. In het andere vertelt hij over een junkievriend uit zijn jeugd. Het enige verschil met mainstream cabaret is dat Teeuwen niet naar een pointe toewerkt. Dat hij daar lak aan heeft, maakt iets goed. Maar vervolgens sluit Teeuwen af met een jolig lied dat hij zingt met een al te simpel Surinaams accent. Daarmee eindigt Echte Rancune conventioneler dan goed is.

Dat mindere slot doet weinig af van de totaalindruk dat Teeuwen in Echte Rancune glorieert met zijn gemuteerde vorm van cabaret: amoreel, confronterend theater, razend knap geacteerd en extreem geestig. In zijn zevende solo toont hij eens te meer aan een genre, een wereld en een klasse op zichzelf te zijn.