Moeder is niet geschikt voor de toekomst

Eindelijk, de moederroman van Grunberg is er. Al lijkt de moeder veel op die van de schrijver, ze is anders dan je verwacht. Een verkapte autobiografie is het niet.

De afgelopen jaren schreef Arnon Grunberg drie dingen over zijn moeder die me zijn bijgebleven. Een jaar of vier geleden beschreef hij hoe hij kwaad op haar werd, tot schreeuwens toe, omdat ze weigerde voldoende te eten. En na haar dood begin vorig jaar zei hij dat ze was ‘ontsnapt’. Een paar maanden geleden, ten slotte, publiceerde Grunberg (1971) een mooi essay in De Groene Amsterdammer waarin hij concludeerde dat er nog maar één ding op zat: hij moest zelf zijn moeder worden.

Die drie gedachten zijn allemaal terug te vinden in Grunbergs nieuwe roman, Moedervlekken. Het boek is er niet zonder slag of stoot gekomen. Sinds zijn debuut in 1994 hebben we nog nooit zo lang op een nieuwe roman van Grunberg moeten wachten. Het is vier jaar geleden dat het korte, maar scherpe De man zonder ziekte verscheen. Huid en haar stamt zelfs uit 2010. Het zal te maken hebben met Grunbergs andere werk – en dan vooral met zijn dagelijkse column Voetnoot op de voorpagina van De Volkskrant. Sinds maart 2010 heeft hij geen dag overgeslagen. Maar nu is er dan toch Moedervlekken, een boek waarvan aanvankelijk werd gedacht dat het een boek van Grunberg over zijn moeder zou worden – bij wijze van research trok hij twee jaar geleden weer enige tijd in zijn ouderlijk huis.

Een autobiografisch ‘moederboek’ is Moedervlekken echter niet. Het is ‘gewoon’ een roman. Wel een die gaat over een veertiger die weer bij zijn fysiek aftakelende moeder in Amsterdam woont. De moeder heeft flink wat trekken van Hannelore Grünberg-Klein, of althans van de verhalen en anekdotes die Grunberg de afgelopen twintig jaar verspreid over haar heeft opgeschreven. Ze overleefde het kamp en benadert haar zoon met een agressieve vorm van moederliefde: verwijten en klachten zijn de belangrijkste verschijningsvormen van die liefde.

De hoofdpersoon van deze roman is Otto Kadoke, ooit vernoemd naar Otto Frank, maar hij laat zich al zijn hele volwassen leven Oscar noemen. Kadoke is een in suïcidepreventie gespecialiseerde psychiater die werkt op de crisisdienst: het is zijn taak om mensen ervan te weerhouden zichzelf iets aan te doen. En hij is een typisch Grunberg-personage dat zo kan aansluiten in de rij bij Jurgen Hofmeester (Tirza), Roland Oberstein (Huid en haar) en al die anderen. Druk rationaliserend meent hij het leven onder controle te hebben, maar al snel wankelt hij. Hij wordt ingehaald door sterkere krachten. Al kan Kadoke dat zelf niet echt geloven: ‘Onrust heeft zich van hem meester gemaakt. Iets sleepte hem mee. Emoties kunnen het niet zijn geweest, die heeft hij onder controle.’

Noodgeval

In het geval van Kadoke (dat tegelijk aan cadeautje, kaduuk en k.o. doet denken – en geen van alle ten onrechte) begint het wankelen wanneer hij op een middag in een van de twee Nepalese bejaardenverzorgsters van zijn moeder ineens veel méér ziet als deze slechts gekleed gaat in een handdoek, en hij ziet nog meer als die handdoek van haar is afgegleden. Tijdens de seks voelt hij zich een koloniaal, maar de straf volgt snel. Niet veel later is hij gewond en moet hij op zoek naar nieuwe verzorging voor zijn moeder.

Daar ongeveer, na een pagina of zeventig, neemt Grunberg de laatste twijfels weg over de vraag in hoeverre deze roman een verkapte autobiografie is. Hij gooit de lezers de fictie hard in het gezicht als een nieuwe bejaardenverzorgster de moeder onder de douche wil zetten. Ze gilt en komt ontzet de woonkamer weer binnen: ‘Uw moeder heeft een piemel.’ Kadoke legt rustig uit: ‘Na de dood van mijn moeder raakte mijn vader in een diepe depressie. Hij kwam er niet uit tot hij na weken, maanden, mijn moeders kleren begon aan te trekken, hij werd als het ware zijn vrouw, zijn dode vrouw. Hij deed zijn pakken de deur uit, hij ging anders praten, hij eigende zich haar geschiedenis toe, hij veranderde in zijn dode vrouw.’ Het verhaal kan de zorgprofessional niet overtuigen: zij neemt de benen.

In zijn werk op de crisisdienst functioneert Kadoke behoorlijk (‘Je moet zelf een beetje een noodgeval zijn om de echte noodgevallen te herkennen’), maar hij begint fouten te maken en te twijfelen. Dat brengt hem in contact met Michette, een jonge vrouw die bleekwater drinkt en bedekt is door littekens die het gevolg zijn van zelfverminking. Ze is van de ene kliniek naar de andere gegaan, maar zonder echt resultaat.

Kadoke besluit haar mee te nemen naar het huis van zijn moeder. Als bejaardenverzorgster, en in het kader van wat hij zelf ‘grensoverschrijdende therapie’ noemt. Michette wil intussen van alles van hem: lichamelijk én geestelijk. Ze verleidt en provoceert hem, noemt hem Priklopil – naar de Oostenrijkse ontvoerder van Natascha Kampusch – en wil samen met hem lijden. In de lange confrontaties tussen Kadoke en zijn patiënte komt veel langs: agressie en provocatie, verwonding en liefde, analyse en angst, controle en zorg, waarbij op zeer Grunbergiaanse wijze alle categorieën door elkaar gaan lopen. Wie er op welke manier een noodgeval is, wie bezig is wie te redden, wordt al snel onmogelijk te onderscheiden.

Op de achtergrond trekt nog een tweede vrouw aan Kadoke: een jonge zwarte collega van de crisisdienst die ooit onder de indruk is geraakt van diens publicaties over suïcidepreventie. Deze Dekha (een vrouw in een opgeruimd huis) wil met hem de toekomst in. Daar aarzelt Kadoke over, al is het maar omdat hij zijn moeder heeft. En moeder is niet geschikt voor de toekomst.

Demonen

En uiteindelijk is dat waar alles om draait in deze tamelijk plotloze, wrang-geestige, maar allengs steeds droeviger wordende roman. Want wat hebben we uiteindelijk? Een moeder die zegt dat ze niet dood kan gaan omdat niemand van haar zoon kan houden: ‘Je kunt het de mensen niet vragen van je te houden, het is te veel gevraagd. Alleen van je moeder mag je dat vragen.’ Alleen van je moeder kun je dat vragen en die noodzaak was kennelijk zo groot dat bij haar dood Kadokes vader de plaats van zijn vrouw heeft ingenomen.

Kadokes visie op de transformatie van zijn vader is verwant: ‘Hij is de voortzetting van haar trauma’s […] Maar wij zijn allemaal de voortzetting van andermans trauma’s, u, ik, – we zouden moeten ophouden te geloven dat het onze eigen trauma’s zijn die ons op onverwachte momenten komen bezoeken, als geesten, als stemmen, als demonen.’ Zo is er een moeder die wil leven omdat er niemand van haar zoon kan houden en een zoon die wil dat zijn moeder leeft opdat haar trauma’s niet verdwijnen. Het maakt Moedervlekken (Kadoke heeft een aantal vermoedelijk goedaardige plekjes op zijn rug die zijn gaan groeien) tot een boek waarin het behoud van het leven in het teken staat van het verleden – en dan niet eens een vrolijk verleden.

Dat wordt nog extra geaccentueerd door Kadokes beroep. Hij moet niet alleen zijn moeder verleiden om te blijven leven (en om te eten, ook dat element komt in de roman voor), het is ook zijn dagtaak om zich, in Grunbergs woorden, tussen de patiënt en de dood in te wringen. ‘Waarom is uitgerekend hij uitverkoren om propagandist van het leven te worden. Er zijn betere kandidaten denkbaar. Is wat hij ooit aanzag voor uitverkiezing niet gewoon een vervloeking?’

Dat wringen tussen de patiënt en de dood gaat, zowel in het geval van moeder als in dat van Michette, gepaard met een vorm van gevangenschap. De jonge vrouw vol littekens aan de buitenkant en de oude vrouw vol littekens aan de binnenkant staan constant onder controle. Niet zozeer omdat ze moeten leven, maar omdat ze niet mogen sterven. Zo groot is de uitzichtloosheid: een man schreeuwt tegen zijn moeder omdat ze niet dood mag, omdat haar trauma’s – en God weet dat haar trauma’s niet mis zijn – bewaard moeten blijven. Wat Grunberg hier beschrijft is een generationeel doorgegeven verbod op geluk. Dat doet hij niet als eerste en hij doet het ook niet voor het eerst, maar hij doet het zeer indringend.

Zo lukt het niet om los te laten, al doet Kadoke aan het eind van het boek een dappere poging, wat de lezer in elk geval nog een sprankje hoop geeft: ‘Dit niet-sterven kan zo niet langer.’ In de hoopvolle illusie zit de kracht van Moedervlekken echter niet. Wel in het alomtegenwoordige verzet tegen de dood dat uit de roman spreekt. Een verzet dat misschien voortkomt uit de verkeerde motieven en dat uiteindelijk hoe dan ook zinloos is. Behalve dan dat het het verdriet tastbaar maakt. Want één ding is zeker: ondanks alle zorg zal de moeder toch ontsnappen. En zelf je moeder worden, zoals Grunberg eerder schreef, dat kan alleen in romans.