Een 6,2 voor tekstbegrip, geloof je het zelf, Cito?

Taalkundige Rik Smits zag zijn eigen artikel terug in een vwo-examen tekstbegrip en viel van de ene verbazing in de andere, „over wat ik wel niet allemaal bedoeld bleek te hebben”.

Donderdag begint het vwo aan het meest omstreden examenonderdeel van allemaal, tekstanalyse Nederlands. Niet alleen een mijnenveld voor de leerlingen, ook voor de Citotoetsmakers, die naar te vrezen valt, ook deze keer op hun falie zullen krijgen. En zelfs voor de docenten, van wie er nogal wat zich bij het nakijken de haren uit het hoofd zullen trekken. Steen des aanstoots: de aanvechtbare keuzes die de samenstellers telkens maken. Teksten uit kranten en tijdschriften worden ingekort, omgewerkt, vereenvoudigd en soms met extra zinnen aangevuld – een redactionele doodzonde – om ze bevraagbaar en behapbaar te maken.

Dat gebeurt vanwege de geheimhouding buiten medeweten van auteurs en soms zo ongelukkig, dat je je afvraagt of de toetsmakers zo’n tekst zelf wel begrepen hebben. Daarbij wordt een grabbelton vol vragen bedacht: meerkeuze, puzzels, definitiekwesties en beknopt te beantwoorden min of meer open vragen. Ook dat gaat lang niet altijd goed. Sommige vragen sluiten slecht aan op de tekst, andere zijn voor meerdere uitleg vatbaar. Soms is het gissen naar wat de vraagsteller eigenlijk wil of voor zich ziet. Zo werd vorig jaar gevraagd naar de aanblik van het „samenraapsel van containerachtige gebouwen, loodsen, brandstoftanks en barakken – en een klein kerkje” dat een grote Antarctische wetenschappelijke basis vormde. „Rommelig”, bleek het gewenste antwoord, wat niet alleen uiterst onwaarschijnlijk is, maar ook niet klopt met wat „samenraapsel” betekent: een ogenschijnlijk onsamenhangend geheel.

Dit zijn geen incidenten. Jaren geleden al was een van mijn eigen artikelen onderwerp van het vwo-eindexamen. Ik viel, toen ik het correctiemodel zag, van de ene verbazing in de andere over wat ik wel niet allemaal bedoeld bleek te hebben. Ook op algemener vlak worden merkwaardige keuzes gemaakt. Zo blijven spelfouten buiten beschouwing maar worden antwoorden op open vragen aan draconische lengtebeperkingen onderworpen. „Gebruik niet meer dan 15 woorden” betekent meestal dat twee woorden meer al even erg is als onzin opschrijven: totaal puntenverlies.

„Hier haalt niemand een tien voor”, klaagde een bezorgde leraar. Dat is niet per se erg. Wie werkelijk een 10 door de neus geboord krijgt, strandt zelden op dat ene puntje. Dat ligt anders als een voldoende net haalbaar en van doorslaggevend belang is. En daarmee komen we bij de belangrijkste oorzaak van deze hardnekkige examenmalaise.

Toen in de late jaren zestig de Mammoetwet op stoom begon te komen, nam het voortgezet onderwijs niet alleen veel massalere vormen aan, maar moesten er ook allerlei drempels komen voor de overstap van brugklas naar vervolgschooltype en tussen verschillende schooltypen binnen de nieuwe scholengemeenschappen. Dat leidde tot een roep om het efficiënter en objectiever beoordelen van de prestaties van leerlingen dan door het met de natte vinger uitdelen van magere zesjes en acht-plussen door de ervaren leraar. De beoordeling werd geformaliseerd, gekwantificeerd en door de bemoeienis van het Centraal instituut voor toetsontwikkeling (Cito) met het eindexamen gebureaucratiseerd.

De wringer van schijnprecisie

Ook proefwerken en toetsen werden allengs meer genormaliseerd en gecentraliseerd. Die objectiveringswoede leidde tot een ongeëvenaard cijferfetisjisme. Niemand in dit luchtkasteel die zich afvroeg wat een 6,2 eigenlijk betekende en waarin die echt verschilde van een 6,4 of 6,5. Of de beoordeling van leerlingen werkelijk zuiverder werd, blijft een open vraag. Wel leidde het soms tot krampachtige toestanden. Veel kennis en vaardigheden zijn goed kwantitatief te toetsen. Eenvoudige sommen zijn goed of fout, Tarente is niet de hoofdstad van Italië en onmiddellijk schrijf je met twee dees en twee ellen. Turven maar! Maar bij iets als tekstbegrip ligt zoiets niet voor de hand. Toch moet ook die vaardigheid door dezelfde wringer van schijnprecisie. Bijgevolg zijn de vragen wat er nu eigenlijk getoetst wordt en waarom goeddeels uit het zicht verdwenen. Zou het niet van wijsheid getuigen om de vakleerkrachten wat van hun vroegere gezag en vrijheid terug te geven? En een wat intelligentere, zij het intuïtievere beoordelingsmethode te verkiezen, bijvoorbeeld door een opstel of samenvatting te laten maken?

Maar daar hebben de jongens en meisjes van nu niks aan. Die kunnen maar beter het hoofd koel houden. En als je het een keer écht niet weet, kijk dan of er in het stuk tekst waarover de vraag gaat een bijzonder of opvallend woord voorkomt, zoals ‘luchtkasteel’ of ‘cijferfetisjisme’. Toetsmakers tippelen op zulke saillante woorden. Dikke kans dat één van de antwoorden juist naar zo’n opvallend woord verwijst: aankruisen maar.