Ze wist al wat het was te moeten sterven

Hilde de Vocht (1960-2016) hield zich als psycholoog jarenlang bezig met het levenseinde. Haar eigen dood trad ze lichtvoetig tegemoet.

Hilde de Vocht gaf generaties verpleegkundigen les over het zorgen voor stervenden.

Als piepjonge psychologe was Hilde de Vocht al gefascineerd door het levenseinde. Haar man, Harm Kersten, met wie ze 37 jaar samen was, nam ze daar in mee. „Hilde moest een artikel schrijven over de afweermechanismen die mensen ontwikkelen tegen hun angst voor de dood, de zogeheten terror management theory. Het was in de jaren tachtig, we waren op vakantie in Oost-Duitsland. We raakten in gesprek over de dood, en dat gesprek is eigenlijk nooit opgehouden. De dood was iets gewoons voor ons. De enige zekerheid die er is in het leven.”

Het verbeteren van de zorg voor stervenden werd De Vochts roeping, als docent en als onderzoeker. Palliatieve zorg draaide volgens haar om het hebben van hart en oog voor de uniciteit van ieder mens, en om het daadwerkelijk waarnemen en erkennen van het leed van de ander. Toen ze steeds meer aanwijzingen kreeg dat er – met name in ziekenhuizen – te weinig aandacht was voor seksualiteit en intimiteit bij ernstig zieke patiënten, ging ze zich daarin verdiepen. Voor haar proefschrift Sexuality and intimacy in cancer and palliative care in The Netherlands (2011) hield ze diepgaande interviews met mensen in hun laatste levensfase.

Psychologie was aanvankelijk haar tweede keus: ze wilde arts worden. Toen ze eindelijk was ingeloot en medicijnen ging studeren in Utrecht, knapte ze af op de mentaliteit van veel medestudenten. Jongetjes uit gegoede milieus, vaak met een arts als vader, in wie ze geen greintje idealisme of liefde voor het vak kon ontdekken, alleen de wens om later goed te verdienen. Ze stopte en ging verder met psychologie.

Ruim dertig jaar gaf ze les aan verpleegkundigen in opleiding, sinds 2013 als lector Verpleegkunde bij de Academie Gezondheidszorg van Saxion Hogeschool. Haar colleges waren altijd boeiend en inspirerend, zelfs op vrijdagmiddag, schrijven (oud-)studenten op Facebook. Niet doordat ze met kwinkslagen en effectbejag de zaal bespeelde, maar omdat ze op een rustige, bescheiden manier haar bevlogenheid wist over te brengen.

Hilde de Vocht groeide op in Mook met een oudere zus en een jongere broer. Haar ouders hadden een slagerij. Haar ambitie en intellectuele gedrevenheid manifesteerden zich al vroeg. Als zevenjarige las ze soms in een dag een hele stapel bibliotheekboeken uit. Haar moeder was veel ziek, haar vader had het druk met de slagerij. Misschien had haar geldingsdrang daarmee te maken: aandacht was niet vanzelfsprekend. Een leiderstype was ze ook, op de middelbare school al. Saxion-collega Ad Bergsma vertelt dat ze meestal haar zin kreeg zonder dat ze druk hoefde uit te oefenen. „Het ging haar altijd om de goede zaak, nooit om zichzelf.”

Op het allereerste gezicht was De Vocht een vriendelijke, wat gereserveerde, nette mevrouw met pareloorbelletjes. Maar zodra ze hartelijkheid ervaarde van een ander, toonde ze haar warme karakter. Ook toen ze al ernstig ziek was, bleef ze geïnteresseerd in het welzijn van collega’s en vrienden. Die nette mevrouw werd ze overigens pas toen ze ging lesgeven en besloot dat ze er representatief uit moest zien. In haar studententijd droeg ze houthakkershemden, een pakje shag stak uit een borstzak.

Een jaar geleden werd bij De Vocht tongkanker geconstateerd, in agressieve vorm. Aanvankelijk leek de ziekte bedwongen, maar in november bleek een nieuwe tumor inoperabel. Eén nacht van diepe ontreddering maakte ze door, daarna leefde ze rustig en opgewekt toe naar het onvermijdelijke einde. Dat kwam op 10 april, ze was 56.

De lichtvoetigheid waarmee ze haar dood tegemoet trad, maakte grote indruk op haar omgeving. Als je altijd beweerd hebt dat de dood bij het leven hoort, moet je er niet dramatisch over doen als je er zelf mee geconfronteerd wordt, vond ze. Was het haar rationele, analyserende aard, of toch haar professionele achtergrond, haar uitgebreide kennis over het levenseinde? Zelf dacht ze het laatste. In een interview kort voor haar dood in het tijdschrift Nursing zei De Vocht: „Ik heb sterk het idee dat ik mij door mijn werk bewust en onbewust heb voorbereid op mijn huidige situatie. Ik heb me erin verdiept wat het is te moeten sterven.”

Als ze verdriet had, was het om haar ouders en haar man die ze moest achterlaten. „Ik hoef alleen maar dood te gaan.” Koffie en de krant ’s ochtends in bed – tot het moment van de euthanasie heeft ze van het leven genoten. Voor haar nabestaanden maakt dat het verlies draaglijker. Of, zoals haar man zei toen hem kort na haar dood gevraagd werd hoe het ging: „Het is verschrikkelijk, maar het valt wel mee.”