Wij waren 17

Wij zijn 17, een legendarisch fotoboek van Johan van der Keuken uit 1955, is weer herdrukt. Drie geportretteerden over hun leven toen en nu. ‘Het is heerlijk dat er niets meer hoeft.’

Lucette Bletz-Wezelaar nu Foto's kleur Martijn van de Griendt Foto's zwart-wit Johan der Keuken

Een zeventienjarige die dominees, politici en commentaarschrijvers op de kast jaagt. In het brave, naoorlogse Nederland was daar weinig voor nodig. Een fotoboekje volstond. Op 3 december 1955 publiceerde Joan van der Keuken (1938-2001), leerling van het Montessori Lyceum in Amsterdam, Wij zijn 17. Een boekje met dertig stille, enigszins melancholieke portretten van een vriendenkliekje uit het artistieke Amsterdam-Zuid.

Over dat bescheiden boekje zijn honderden artikelen verschenen. Wij zijn 17 geldt als een van de belangrijkste naoorlogse fotoboeken. „Een statement – in zijn foto’s, zijn vormgeving en zijn intentie”, aldus cultuurjournalist Willem Ellenbroek, die elf jaar geleden een uitgebreide reconstructie over de totstandkoming en de ontvangst van deze uitgave schreef.

Zestig jaar na de eerste publicatie trekt Wij zijn 17 nog altijd de aandacht. Onlangs verscheen de zoveelste editie, nu in het Engels en Japans. Zijn eerste fotoboek heeft Van der Keuken (die zijn voornaam later wijzigde in Johan) altijd achtervolgd. En zijn vrienden óók, zegt Lucette Bletz-Wezelaar, een van de zestien mensen die in het boekje voorkomen. Als we haar bellen voor een gesprek, zegt ze: „Belt u nu alweer?” Wat blijkt: tien jaar geleden werd zij ook al benaderd voor een artikel in Het Parool – toen onder de kop ‘Wij zijn 67’.

Inlevingsvermogen

Het vraagt inlevingsvermogen om te begrijpen waarom het boek destijds tot een golf van verontwaardiging leidde. Dat lag niet aan de kwaliteit van de foto’s of de vernieuwende opmaak. Die roemden recensenten meteen al, zij het in bijzinnen. Het zat hem, om met Ellenbroek te spreken, vooral in de intentie van het boekje. De aanname dat deze zeventienjarigen de Nederlandse jeugd representeerden, vonden velen onverteerbaar.

Wij zijn 17 was de blik van een zeventienjarige op leeftijdgenoten, een nouveauté in de fotografie. De vrienden van Van der Keuken hadden duidelijk geen last van zijn camera; ze deden wat ze anders ook deden. Iets wat een volwassen buitenstaander vermoedelijk nooit voor elkaar had gekregen.

Op een handvol foto’s blikken de geportretteerden zelfbewust in de lens, op de meeste staren ze dromerig of met een zekere weemoed naar iets buiten het kader. Slechts op één foto lacht iemand naar de fotograaf. Op twee foto’s wordt een glas bier of wijn gedronken. Op acht foto’s roken de geportretteerden een sigaret of pijp.

Ja, en?

Zeventienjarigen van nu roken soms een joint en vermoedelijk drinken ze vaker en meer alcohol dan de vrienden van Van der Keuken.

Toch leidde Wij zijn 17 tot een storm van protest. Zo somber en existentialistisch was de jeugd helemaal niet! Kranten en tijdschriften raakten niet uitgeschreven. Pedagogen en kinderpsychologen kwamen aan het woord en er verschenen gewichtige commentaren. De recensent van De Telegraaf repte van „een verdoemde jeugd” en de commentator van Elsevier schreef: „De schooljeugd van Joan stelt zich aan als ‘artistiek’, en zij is zo somber wegens het uitblijven van erkenning harer artistieke prestaties. Welke zijn die prestaties? Het nuttigen van allerlei stevige drankjes, het rondhangen in kroegen, het inhaleren van zware tabak, het zich kleden à la Parijs 1950 en het niet vervullen van hun dagtaak, de studie?”

In confessionele kringen leefde de angst dat er een nieuwe jeugd was opgestaan die ongrijpbaar was voor opvoeders en pedagogen. In het blad De Hervormde Kerk sprak dominee Visser van „een jeugd die het lachen verleerd schijnt te zijn”. In het katholieke weekblad De Nieuwe Eeuw schreef een anonieme ‘zeventienjarige’: „Ik durf en mag niet absoluut oordelen, maar het komt me voor, dat het hier een groepje betreft dat graag zelfbevredigend rondzwemt in de rotsooi van hun chaos en zichzelf koesterend wel enige rust en zekerheid gevonden heeft in deze situatie.”

Wij zijn 17 lokte direct ook twee curieuze tegenboekjes uit. Van katholieke zijde verscheen Wij zijn ookzeventien, met portretten van lachende Gelderse scholieren, druk in de weer met sport en spel en, jawel, huiswerk. Waren wij maar zeventien was wat lolliger van aard.

Kort voor de publicatie had Van der Keuken op school de dertien jaar oudere fotograaf Ed van der Elsken ontmoet. Die kwam advies geven over een fotoproject. Toen de scholier zijn portretten liet zien, zei Van der Elsken: „Je hebt meer talent dan 99 procent van de beroepsfotografen.”

Die lof gaf richting aan het leven van de jonge Van der Keuken, vertelde hij later aan het tijdschrift Skrien. „Ik kreeg permissie fotograaf te worden.” De foto’s die hij had laten zien vormden de basis voor Wij zijn 17, dat nog hetzelfde jaar verscheen bij Van Dishoeck, de uitgever van de schoolboeken die zijn vader had geschreven.

Verbaasde vrienden

De vrienden van Van der Keuken wisten van niks. En al net zo verbaasd waren ze over de ophef die het vriendenalbum wekte. „Hockeyen deden we inderdaad niet, we lazen en rookten”, zegt actrice Petra Laseur met de nodige spot. Maar somber en nihilistisch, dat verwijt raakte kant noch wal. „We waren juist heel vrolijk en creatief”, zegt Lucette Bletz.

Gezamenlijk luisterden ze naar het pianoconcert van Ravel (op 78 toeren). Ze lazen Baudelaire, in het Frans, en ze schreven een opera over Napoleon, met opzet gespeeld in steenkolenduits. Ook spraken ze elkaar graag toe in het groteske idiolect van Frits van Egters, de hoofdpersoon uit Gerard Reve’s De Avonden.

Vergeleken met zijn kleinkinderen, zegt oud-hoogleraar experimentele cardiologie Giel Janse, was hij als zeventienjarige meer volwassen. „Op ons vijftiende liftten Johan en ik naar de Côte d’Azur.”

Alle geportretteerden slaagden voor hun lyceum- of gymnasiumexamen. Ze kwamen, anders dan voorspeld, ook allemaal goed terecht. Ysbrant van Wijngaarden werd bijvoorbeeld succesvol beeldend kunstenaar, Chris Korthals-Altes een vooraanstaand natuurkundige en vermogensbeheerder Eijk de Mol van Otterloo werd een van de rijkere mensen van het land.

De enige in Wij zijn 17 voor wie in 1955 geen zorgeloze toekomst lonkte, was Joke, de 19-jarige zuster van Joan van der Keuken. Op het omslag van het boek staart zij met ernstige blik in het niets. Binnenin het boek staat nog een portret van haar waarin ze op bed zit met een sombere, naar binnen gerichte blik. Joke had net ontdekt dat ze zwanger was – van een tweeling nog wel –, een boodschap die ze aan haar broer, maar nog niet aan haar ouders had verteld. „Een loden situatie”, zei ze daarover later in Laatste woorden – Mijn zusje Joke (1935-1997), de film die Johan met haar maakte, acht dagen voordat ze aan kanker zou overlijden.

Aan het eind van haar leven lachte ze om de zorgen van 1955. De „hel en verdoemenis” waarvoor ze toen vreesde, waren uitgebleven. Intens tevreden keek ze terug op haar zwangerschap. „Uiteindelijk het beste wat me is overkomen.”

Giel Janse: ‘We waren heel burgerlijk’

Giel Janse in 1955 in café Reynders op het Leidseplein in Amsterdam. „Daar kwam ik slechts incidenteel en dronk ik hooguit één biertje.”
Giel Janse nu

Giel Janse zit aan de tafel van zijn lichte appartement in Amsterdam-Zuid. Boven de vleugel hangt een schilderij van zijn vriend Ysbrant van Wijngaarden (die ook in Wij zijn 17 staat). Op zijn zeventiende luisterde Janse naar componisten als Prokofjev en Stravinsky, en naar jazzmuzikanten als Parker en Rollins – en dat doet hij eigenlijk nog steeds. Net als pianospelen. Hij werd geen „verslaafde junk”, wat sommigen dachten na verschijning van Wij zijn 17 , maar hoogleraar experimentele cardiologie.

„We waren heel burgerlijk hoor. We wilden allemaal niets liever dan kinderen krijgen. We waren helemaal niet aan het rebelleren. Dat was ook nergens voor nodig. Mijn vriendinnetje was de dochter van Simon Carmiggelt. Bij haar thuis ontmoetten we volwassenen als Gerard Reve en Geert van Oorschot. We vonden het leuk met hen te praten. We waren gewoon een beetje vroeg rijp.

„Ik denk dat mijn kleinkinderen veel onvolwassener zijn. Ze lezen ook niet. En ze weten ook veel minder. Wij konden Winston Churchill citeren. Zij moeten googelen wie dat was. En wat weet je dan? Een Brits staatsman. Het zal wel.

„Dat je niets meer hoeft, dat is zo heerlijk. Ik heb helemaal geen zin om naar Thailand of Machu Picchu te gaan. Vroeger heb ik veel gereisd. Maar geef mij nu maar Wijk aan Zee. Dan zie je het subcontinent Indië maar niet, wat kan mij dat bommen.

„Nu ga ik overdag naar de film. Of ik fiets naar het Landje van Geijsel, even kijken hoe het met de grutto’s staat. Van die verrukkelijke onzindingen. Tot de dag komt dat je niet meer kan fietsen, dan wordt het misschien vervelend.

„Mijn vriend Ysbrant heeft last van zijn knieën, die kan maar honderd meter lopen, die moet met de taxi naar het landje van de grutto’s, mocht-ie zich voor grutto’s interesseren, wat-ie niet doet.”

Lucette Bletz-Wezelaar: ‘Ik was een snob die Frans wilde leren’

Lucette Wezelaar in 1955 op de zolder van haar ouderlijk huis in de Vossiusstraat, de plek waar de vriendenkring regelmatig bijeenkwam. De graffiti op de muur is van Gerben Hellinga, de latere schrijver en acteur die om onverklaarbare redenen niet inWij zijn 17 terecht is gekomen.
Lucette Bletz-Wezelaar nu
Foto’s kleur Martijn van de Griendt
Foto’s zwart-wit Johan der Keuken

In een strakke broek en op platte schoenen dribbelt Lucette Bletz-Wezelaar (77) door haar huis bij het Vondelpark in Amsterdam. Ze danst twee trappen op naar de zolderkamer, waar Joan van der Keuken haar zestig jaar geleden fotografeerde. Hier zat ze in het raam als Giel Janse (die ook in Wij zijn 17 staat) aan kwam lopen en ‘Frauenliebe und -leben’ van Schumann floot, ten teken dat ze de sleutels naar beneden moest gooien. Vijf jaar geleden erfde ze haar ouderlijk huis, dat nog steeds vol staat met de spullen van haar ouders. Haar vader was beeldhouwer, haar moeder schilderde. „Ik beheer nu het huis. Dat is alles wat ik doe. Geweldig toch?”

„Op mijn zeventiende was ik een snob, ik wilde Frans leren, want kunstenaars spraken vroeger Frans met elkaar. Ik las Le rouge et le noir van Stendhal. Ik herinner me vooral dat het ging over een jongen en een priester, en hoe die jongen verliefd wordt op een oudere vrouw en aan tafel haar hand pakt, en hoe opwindend ik dat vond. Ik verveelde me zo in die tijd dat ik ook Shakespeare-vertalingen las, met plaatjes van prerafaëlieten en teksten over bastaardzonen, ook al zo opwindend.

„Mijn kleinkinderen lijken niet erg intellectueel geïnteresseerd. Boeien, zeggen ze bij alles. Gaat wel weer over, denk ik dan. En het is niet mijn probleem.

„Zes jaar geleden ben ik van de trap gedonderd, ik had een ruggenwervel gebroken. Dan denk je: dit is het. Alles deed pijn. Ik had geen zin meer. ‘Je moet je bed uit’, zei mijn fysiotherapeut. Toen heb ik een balletbarre opgehangen. En verdomd, het werd beter. Nu ben ik helemaal hersteld. Ik zit op fitness en op bejaardenzwemmen. Dolle pret hoor.

„Als kind wilde ik ballerina worden, maar op het toneel heb ik nooit gestaan. Ik heb een balletschool gehad. Maar ik had verdomme moeten doorgaan met dansen. Ik had bij het Nederlands Ballet kunnen zitten.

„Nu heb ik geen dromen meer, het is juist zo heerlijk dat niets meer hoeft. ’s Ochtends word ik blij wakker: wat heerlijk dat ik hier woon, wat zal ik eens doen, misschien eens naar een concert? Het enige wat ik, met het oog op de toekomst, doe, is af en toe een briefje onder een beeldje leggen, met daarop de naam van degene voor wie het is bestemd. Verder leef ik van dag tot dag.”

Petra Laseur: ‘Ik zie geen voordelen aan ouder worden’

Petra Laseur in 1955. „Vaak droegen we toen zwarte truien. Een vorm van interessantdoenerij was dat.”
 Petra Laseur nu. Foto’s Johan van der Keuken en Martijn van de Griendt
Foto

Petra Laseur beweegt door haar woonkeuken in Amsterdam-Buitenveldert alsof ze op het toneel staat: rechte rug, heldere stem, grote gebaren. Het is moeilijk voor te stellen dat deze 76-jarige actrice – die momenteel in het DeLaMar Theater in Amsterdam de voorstelling We want more speelt – zich als 17-jarige „een buitenbeentje” voelde in „dat hele interessante vriendengroepje dat de hele dag hele interessante gesprekken voerde over hele interessante zaken”. De anderen uit Wij zijn 17 deden lyceum of gymnasium, ik de middelbare meisjesschool. „Ik deed mijn mond niet open.” Nog moeilijker voorstelbaar is het dat deze knappe vrouw ’s ochtends vol walging in de spiegel kijkt.

„Braken in me bordje, die aftakeling, verschrikkelijk. Alles wordt minder: je haar, je ogen, je reuk, je smaak, je oren, je huid, je lijf. Dat krijg je allemaal cadeau. Het idee dat meisjes die nu worden geboren gedoemd zijn 120 te worden…

„Je mag het niet zeggen, natuurlijk, want ik ben fris en fruitig en zo gezond als een vis, maar . Ik vind het nog het zieligst voor mijn kinderen en mijn kleinkinderen. Zou u er soms naar snakken de billen van uw moeder of grootmoeder te wassen?

„Ik zie geen voordelen aan ouder worden. Innerlijke rust? Wijsheid? Mijn neus. Eenzaamheid en verval voor velen van ons. Ik vind de wereld walgelijk. Wat er buiten dit huis gebeurt, stemt me in het geheel niet tot vreugde.

„Als ik terugkijk heb ik spijt van dingen die ik gedaan heb en van dingen die ik niet gedaan heb. Ik had assertiever moeten zijn, wat een doetje was ik. Ook zakelijk. Er is vaak geprobeerd me een poot uit te draaien.

„U vindt dat ik niet de indruk maak moe en der dagen zat te zijn…” – ze is de opgewektheid zelve – „…daar heb ik voor doorgeleerd, hè…

„Na de dood van mijn echtgenoot is er bij mij iets definitief veranderd. [Tekstschrijver en dichter Martin Veltman overleed in 1995, red.] Dat was zo’n enorme klap. Ik heb een ander brein gekregen. Er lijkt iets geklapt – ik kan het niet goed benoemen.

„Ik doe niets sporterigs, daar ben ik niet van. Ik drink wel, twee glazen. Met roken ben ik helaas gestopt. Dat moest voor de donatie. Ik heb vijf jaar geleden een nier afgestaan. Tegen alle pittige vrouwtjes van 76 zou ik willen zeggen: doneer ook een nier. Mocht er tijdens de operatie iets misgaan, dan heb je toch nog mooi 75 jaar geleefd.