Tom in het roze, met 0,022 seconden

Al vaker dit seizoen lukte het net niet. Maar vrijdag wel: Tom Dumoulin won de proloog in Apeldoorn.

Tom Dumoulin van Team Giant-Alpecin op weg naar zijn overwinning in de eerste etappe van de ronde van Italië, in Apeldoorn.

Tweeëndertig komma vijf centimeter was Tom Dumoulin vrijdag eerder bij de finish dan Primosz Roglic, tot een paar jaar geleden schansspringer van beroep en nu wielrenner bij team LottoNL-Jumbo. Want dat was het verschil na 9,8 kilometer over de verhitte straten van Apeldoorn, in tijd niet meer dan 22 duizendsten van een seconde. Dat is een bocht wat efficiënter aansnijden, een fractie later remmen, al had Dumoulin die ruimte niet over – hij reed in een van de eerste stukken, vlak na de start, zowat de dranghekken in, zo graag wilde hij deze proloog winnen, en daarmee de roze trui voor de leider in de Giro d’Italia.

Want al vaak in dit nog prille wielerseizoen lukte het net niet. In alle drie de tijdritten die hij reed sinds 6 maart werd hij tweede, steeds verloor hij van iemand anders, iemand met een betere vorm van de dag, met meer geluk misschien. Nu viel het kwartje zijn kant op, en konden die tweede plaatsen hem gestolen worden, net als het mislopen van de gele trui vorig jaar, bij de start van de Tour de France in Utrecht. „Deze overwinning maakt alles goed, keer tien”, zei hij na afloop met de roze trui oversized om zijn schouders en die fraaie grijns van hem, zijn ogen olijk samengeknepen.

Dat het verschil met Roglic zo miniem was, interesseerde hem niets. Ja, het verschil was klein, ja hij had geluk gehad, en ja, zijn tijdrit had op sommige momenten best beter gekund, maar daar ging het nu niet meer om. Het roze was van hem, na de rode trui in de Ronde van Spanje vorig jaar al zijn tweede leiderstrui in een grote ronde. En hij is pas 25.

Tijdens de race had hij over zijn concurrenten niets meegekregen. Dat was vooraf ook zo afgesproken. Coaches staan altijd in verbinding met hun renners middels een radiosysteem, maar Dumoulin weet bij een korte tijdrit dat tussentijdse informatie niet gaat helpen, aanmoedigingen wel, als het geluid in zijn oortje maar hard genoeg staat. Vorig jaar kon hij in Utrecht niets verstaan van wat zijn coaches hem toeriepen. Het publiek maakte teveel lawaai. „Ik geef alles in zo’n race. Dan heb je aan tussentijden niets”, zou hij later zeggen. „Ik vertrouw graag op wat ik kan.”

Maar zijn trainers, Adriaan Helmantel en Marc Reef, zagen in de ploegleiderswagen achter de doodstille schouders en malende benen van hun pupil wel alles. Dat het in de eerste vijf kilometer op rolletjes liep, dat Dumoulin een voorsprong van twee seconden opbouwde op de rest van het veld. „Maar toen liep zijn snelheid terug”, zei Helmantel bij de bus van Giant-Alpecin met de spanning nog hoorbaar in zijn stem. Helmantel reed, Reef riep Dumoulin door de radio nu en dan wat positieve woorden toe – „luister naar het publiek, hier versnellen, hier opschakelen, alles om hem niet te laten focussen op de pijn” – maar de marge met ijkpunt Tobias Ludvigsson, de uiteindelijke nummer vier van de proloog, werd kleiner en kleiner, totdat de Zweed zelfs sneller was in het tweede stuk van de race. Het trainersduo zette op een goed moment de ploegleiderswagen maar aan de kant. „Doorrijden was niet verantwoord meer. We waren veel te gespannen.”

Te voortvarend van start

Dumoulin was te voortvarend van start gegaan. Het zou ook onmenselijk zijn geweest als hij geen rush had gekregen van duizenden uitzinnige landgenoten die zijn naam scandeerden omdat hij op dat moment nu eenmaal hun grootste held was. Koning Willem-Alexander had hem een uur voor de start zelfs met een bezoek vereerd. „Als ik maar niemand in de weg zit”, zei de majesteit terwijl hij op Dumoulin afliep, die nog niet aan zijn warming-up begonnen was. „Ik rijd straks achter je aan met een auto”, zei hij trots. „Vind je dat goed? O, en ik heb precies negen minuten de tijd. Doe het maar in negen minuten dan.” Weer die kenmerkende glimlach bij Dumoulin. Ook van zijn koning sloeg hij geen moment uit het lood.

Het was het bewijs dat hij groeit als mens, als wielrenner ook. Het verried ontspanning op een moment dat de druk om te presteren het hoogst was, een klein uurtje voor de start van de proloog waarmee hij geschiedenis zou kunnen schrijven, helemaal in de wetenschap dat zijn naaste belager Fabian Cancellara verzwakt op de fiets zat na een buikgriep.

Dumoulin had het allemaal anders gedaan dan een jaar geleden, toen het in de Tour op acht seconden na mislukte. Toen had hij maanden van tevoren elk straatsteentje in Utrecht bestudeerd, was zijn voorbereiding zo minutieus geweest dat hij geen mentale energie meer over had om zich te focussen op de rit zelf.

In Apeldoorn was hij pas op donderdag een keertje over het parcours gereden, in de volle overtuiging dat zijn benen het vuile werk op zouden knappen, dat zijn houding op de tijdritfiets een van ’s werelds beste is, dat hij van druk op zijn schouders kan groeien, boven zichzelf kan uitstijgen, zelfs op een parcours dat eigenlijk te kort voor hem is, te vlak ook.

Maar stiekem was het roze winnen in Apeldoorn een o zo belangrijk doel. En dat belooft veel voor zijn belangrijkste: olympisch tijdritgoud in Rio. Al moet het met een centimeter.