Roofvogelsnavel evolueerde met de lichaamsgrootte

Foto Jen Bright

Het kleintje grijpt vlinders en libelles uit de lucht. En de grote rijt karkassen van herten en vee open met zijn lange snavel. Het kleine schedeltje behoort aan een roodbroekdwergvalk (Microhierax caerulescens), de achterste is van een Andescondor (Vultur gryphus). Samen illustreren deze twee schedels de enorme diversiteit onder roofvogels.

Evolutiebiologen gaan er vaak van uit dat de vorm van een snavel samenhangt met de leefwijze van de vogel. Denk maar aan de darwinvinken van de Galapagos, die zware snavels evolueerden om noten te kraken of puntige om insecten uit vermolmd hout te peuteren. Maar roofvogelsnavels zijn lang niet zo flexibel als vinkensnavels, ontdekten Britse en Spaanse biologen die de vorm van 147 roofvogelsnavels met elkaar vergeleken (PNAS, 29 april). Uit hun analyse blijkt dat snavelvorm vooral bepaald wordt door de grootte van de vogel en de dimensies van de schedels. Roofvogels die hun prooien in vlucht vangen hebben een kleine kop. Daar hoort een korte snavel bij. Als roofvogels groter worden, zoals gebeurde met aasetende vogels die een karkas moeten verdedigen, worden hun snavels vanzelf langwerpiger. Dat zou ook de reden zijn waarom gieren van de Oude en Nieuwe Wereld zo op elkaar lijken, ook al zijn ze niet verwant.