‘Religie is vooral iets wat mensen doen

Draaiende derwisjen, rooms-katholieke bidprentjes, het Koranreciet van islamitische mystici en de nagalm van een orgel – liever dan doctrines onderzoekt Brigit Meyer de praktijk van religie.

Foto’s AP, AFP, Reuters

Als we willen weten wat moslims vinden van geweld – dat houdt ons namelijk bezig – gaan we niet af op het gedrag van de islamitische meerderheid, maar slaan we een Koran op, of de overlevering over het leven van Mohammed. We gaan op zoek naar regels. Bij religie denken we, behalve aan geloof in een opperwezen, al gauw aan voorschriften en verboden. Religie is in onze ogen doctrine, en die ligt vast in teksten. Maar deze aandacht voor het woord, voor geloofsinhoud, is heel protestants, en dat is geen toeval. Het westerse religiebeeld is, of we dat nu beseffen of niet, eeuwenlang beïnvloed door reformatorisch christendom.

Birgit Meyer is antropoloog en hoogleraar religiewetenschap aan de Universiteit Utrecht. Zij komt uit een protestants gezin in het Duitse Emden, maar is als antropologe heel anders naar religie gaan kijken. Haar denken over dit cultuurverschijnsel is beslissend beïnvloed door een jarenlang verblijf in Afrika. Ze deed onderzoek in Togo en Ghana, naar traditionele religies en naar nieuwe vormen van christendom, zoals Pinksterkerken. Daar kwam ze in aanraking met heel lichamelijke vormen van religie, waarin alles draait om beleving, om contact met het hogere, niet om leerstukken.

Die ‘geleefde religie’, de trance van een sjamaan, de extase van draaiende derwisjen, de overgave van een Pinkstergemeente en de wierookgeur en het stemmige gregoriaans van de traditionele rooms-katholieke mis, dat alles is volgens Meyer ten onrechte lang verwaarloosd in de religiewetenschap. Terwijl juist die beleving iets van de veerkracht verklaart waarvan religie blijk geeft in de moderne wereld.

Toen Meyer in 2015 de Spinozapremie kreeg, zei ze: „Ik ben minder geïnteresseerd in doctrines dan in praktijken. Mensen doen religie en zo bezien is religie, al lijkt dit contra-intuïtief, een heel werelds verschijnsel, dat je heel goed empirisch kunt onderzoeken.” Meyer noemt religie een ‘multimediaal verschijnsel’, dat alle zintuigen mobiliseert. Ze richt zich in haar onderzoek dan ook op religieuze ‘media’ als beelden, voorwerpen, gebouwen, muziek, het lichaam en ook tekst. Van religieuze video’s in Ghana, rooms-katholieke bidprentjes en orthodoxe iconen tot muziek, zang, het Koranreciet van islamitische mystici en de nagalm van het orgel in leegstaande kerkgebouwen.

We spreken elkaar in een 19de-eeuws appartement in de Berlijnse wijk Schöneberg. Meyer is namelijk een half jaar verbonden aan een onderzoeksinstituut in de Duitse hoofdstad. Om te beginnen vraag ik wat haar trok naar de religiewetenschap. Meyer: „Ik ben niet gelovig en toch boeit religie me. Het is een terrein waar mensen bezig zijn met grote kwesties: het duiden van de wereld, het ontwikkelen van normen en betekenissen. World making. Misschien nog wel belangrijker: religie is een gebied waar iets dat in eerste instantie onzichtbaar is, verbeeld wordt, tastbaar en aanwezig wordt gemaakt. Het is een medium voor het afwezige.”

Meyer probeert tussen twee klippen door te varen in de benadering van religie, vertelt ze. De ene klip is aanvaarding van een veronderstelde bovennatuurlijke werkelijkheid, wat ze niet doet. De andere klip is ontmaskering van religie als illusie, iets waar ze geen behoefte aan heeft.

„Als je meegaat met de geloofsvoorstellingen van de gelovige heb je te weinig afstand om hierover als wetenschapper uitspraken te doen, om geloofsvoorstellingen en praktijken te vergelijken. Als je kiest voor een afstandelijk perspectief verlies je iets, maar je kunt zo wel uitspraken doen over bepaalde religieuze belevingen.

„De moderne atheïst besteedt veel aandacht aan de ontmaskering van religie als onzinnig. Voor mij als sociale wetenschapper is religie een concreet fenomeen. Religie bestaat, het is iets wat mensen doen. Religie is mensenwerk, een complex van praktijken en voorstellingen die verwijzen naar de niet-tastbare werkelijkheid van geesten of een opperwezen, die tastbaar moet worden gemaakt.”

Materiële religie: het klinkt als een contradictio in terminis.

„Materiële religie zien als iets tegenstrijdigs is een symptoom van een protestantse manier van kijken. Want die concentreert zich op geloofsinhoud, de mentale kant van religie. Stap even buiten dit denkkader en kijk zoals ik deed in een Afrikaanse setting. Ik kwam mensen tegen die bezeten raakten, die dansten, die drumden. Ik zag mensen die in tongen spraken. Ik kwam mensen tegen die kruidenwater gebruikten om geesten te verdrijven. Met een enorme inzet van het lichaam, via dans, beweging, muziek, en ook van allerlei voorwerpen. Dat zijn belangrijke aspecten van religie, waardoor religie aanwezig, zichtbaar en hoorbaar is. En als je goed kijkt zie je dat ook hier.

„In mijn ogen doen wij er als sociale wetenschappers goed aan om deze materialiteit en lichamelijkheid van religie als uitgangspunt te nemen. Want hoe kan geloof in een god nu vorm krijgen zonder dingen, zonder het lichaam? Dat is alleen mogelijk als je gelooft dat die geesten zich echt laten zien. Maar dan zit je volledig in het perspectief van de gelovige. Dus neem ik als onderzoeker de concrete vormen waardoor religie het afwezige aanwezig maakt als uitgangspunt. Als je het katholicisme, en niet het protestantisme, als vertrekpunt zou nemen van wat religie is, ben je al meteen veel lichamelijker en materiëler georiënteerd.”

Sommige religiewetenschappers onderscheiden twee aspecten aan religie: de wettische, moraaltheologische kant, die van de voorschriften; en de mystieke kant, die is gericht op beleving, op rechtstreeks contact met het hogere. Als ik opper dat Meyer zich vooral lijkt te richten op dat tweede aspect zegt ze: „Ik vind dat een nuttige tweedeling, die me helpt mijn positie te bepalen, maar ik zou niet zeggen dat ik me beperk tot de mystiek. Ik heb belangstelling voor alle manieren waarop mensen religie doen.

„Als religiewetenschapper redeneer ik niet vanuit een theologisch standpunt. Theologie is voor mij alleen interessant omdat doctrines en leerstellingen iets voor mensen betekenen, richtlijnen zijn waaraan ze zich houden of waartegen ze zich verzetten. Maar theologisch redeneren hoort bij het binnenperspectief van religie. Ik richt me op middelen en methoden om in contact te treden met het hogere. Ik noem dat sensational forms, gestandaardiseerde vormen van gewaarwording én zingeving die mensen helpen zich te concentreren op het goddelijke. Dat kan van alles zijn: gebouwen, muziek en klanken, dans, het ritueel.”

Is het geformaliseerde plichtgebed van moslims evenzeer een ‘sensational form’ als de extatische viering van een Pinkstergemeente?

„Zeker. In beide gevallen gaat het om vormen, hoe verschillend ook, waardoor mensen zich concentreren op het goddelijke, vormen die zijn geautoriseerd door de gemeenschap, de religieuze traditie waarvan men deel uitmaakt. Als kind word je gesocialiseerd in de islam en leer je de houdingen waarin je moet bidden. Dat wordt overgedragen.”

Is een religieuze tekst ook een ‘sensational form’, bijvoorbeeld als hij collectief wordt gereciteerd?

„Absoluut. Mij interesseren praktijken van lezen en reciteren, zoals van de Koran, of omgaan met de Bijbel zoals gebeurt in de Pinksterbeweging en andere vormen van populair protestantisme. Ik denk dat er over tekst veel meer te zeggen is dan de betekenis, de inhoud ervan. Je kunt ook kijken naar de belevingskant, de manier waarop de tekst wordt voor- en overgedragen.”

De Amerikaanse psycholoog William James schetste in zijn klassieker The Varieties of religious experience (1902) religieuze ervaringen als een hyperindividuele beleving. De antropoloog Meyer gaat het vooral om gedeelde ervaringen. „Ik vind die individualisering problematisch. Ik wil begrijpen hoe mensen binnen een religieuze traditie op eenzelfde manier hun religie beleven. Als je uitgaat van een louter individueel perspectief, kun je dat niet vatten.

„Neem de manier waarop een calvinist leert om ter kerke te gaan, mee te bidden en aandachtig te luisteren naar een preek. Dat zijn dingen die geleerd worden en die maken dat mensen samen een religieuze ervaring hebben. In de Pinksterbeweging spreken mensen gezamenlijk, in groots opgezette diensten, in tongen. Natuurlijk ieder apart, als individu, maar wel in één grote golf. Het gaat me om dit soort collectieve processen die mensen als gelovigen organiseren en die hen in een bepaalde stemming brengen, alert maken op de aanwezigheid van een veronderstelde hogere macht.”

Wat voegt uw benadering toe aan onze kennis van religie?

„Tot voor kort legden onderzoekers sterk de nadruk op de mentale dimensie – geloof, voorstellingen, betekenis – en was er weinig aandacht voor de rol van voorwerpen, praktijken en lichamelijke sensaties. Alsof religie in wezen een spirituele aangelegenheid zou zijn die verheven is boven het materiële. Tijdens mijn onderzoek in Ghana werd ik keer op keer geconfronteerd met de beperktheid van deze kijk op religie. Zowel aanhangers van traditionele goden als leden van Pinksterkerken waren op een heel concrete manier bezig de goden of de Heilige Geest op te roepen en hun aanwezigheid te voelen.

„Toen ik daar eenmaal oog voor kreeg, zag ik de lichamelijke en materiële dimensie van religie ook elders, bijvoorbeeld in Nederland. De orthodox-protestantse stijl van preken, het orgelspel, het zingen in hele noten, het gaat allemaal om het oproepen van bepaalde sensaties, niet louter om de overdracht van inhoud.

„Ik beschouw de nadruk op die dimensie van religie als een noodzakelijke aanvulling op – en niet als vervanging voor – de aandacht voor de mentale dimensie. Uiteindelijk gaat het om de combinatie. Door te beginnen bij de rol van voedsel, dranken, gebouwen, klanken en geuren en ook van het waarnemende en voelende lichaam in het opwekken van ervaringen van het niet waarneembare, komt veel scherper in beeld hoe religies voor hun aanhangers leefwerelden scheppen dan wanneer je alleen kijkt naar leerstellingen en wat mensen geloven.”

Meyer schrijft ergens dat de veerkracht van religie, ook in seculier West-Europa, te maken heeft met een groeiende behoefte aan prikkels. Die behoefte is onmiskenbaar. Ook vakantiereizen en restaurantbezoek worden nu aangeprezen als ‘beleving’.

„Het is inderdaad opvallend hoeveel dingen als ervaringen, sensaties, worden geadverteerd. Mensen trekken de kerkdeur achter zich dicht, willen niet langer lid zijn van een christelijk regime met alle dwingende regels van dien. Zij zeggen: dat maak ik zelf wel uit. Zij die wél lid blijven, of zich aangesproken voelen door andere kerken, zijn vaak geïnteresseerd in de belevingskant van religie. Zie de opkomst van Pinksterkerken, ook in Nederland. Leden zijn vaak nieuwkomers uit de niet-westerse wereld, maar de Hillsong kerken, die van origine Australisch zijn en bijeenkomen in theaters en discotheken, trekken een heel groot wit publiek. Die zijn gericht op een intense beleving van het goddelijke. Het is een religieuze richting die inzet op lichamelijkheid en een bepaald type ervaring en die gekant is tegen een te sterke nadruk op doctrines, op leerstellingen.”

In welke menselijke behoefte voorziet religie?

„Religies leveren middelen om in aanraking te komen met de niet-tastbare werkelijkheid van veronderstelde hogere machten. Dat gebeurt op heel verschillende manieren en met verschillende motieven. In moderne Westerse samenlevingen, zoals Nederland, zijn religie, kunst, wetenschap, politiek en economie aparte domeinen geworden die min of meer los staan van elkaar. Geloof en wetenschap kunnen prima naast elkaar bestaan, en kerk en staat zijn min of meer gescheiden. Religie is voor veel mensen intussen vooral een kwestie van persoonlijke zingeving en spiritualiteit, vaak los van traditionele instituties als kerken.

„Westerlingen kunnen zich maar moeilijk voorstellen dat religie voor mensen elders in de wereld – of voor migranten en vluchtelingen in Europa – veel verder reikende behoeften vervult. In landen met een niet functionerende staat en een ongebreidelde neoliberale economie helpt religie mensen overeind te blijven. Onder moeilijke omstandigheden is er behoefte aan religieuze oplossingen. Pinksterkerken in Afrika worden gezien als aanjagers van modernisering, en de band met de Heilige Geest als uitweg uit de malaise, een weg naar persoonlijke vooruitgang. Islamitische hervormingsbewegingen beloven een terugkeer naar een oorspronkelijke sacrale orde, waarin religie en staat met elkaar vervlochten zijn.

„Kortom, wereldwijd bestaan er enorme verschillen in de rol, plaats en functie van religie en daarmee in vormgeving van contact met het hogere. Door de toegenomen pluriformiteit van westerse samenlevingen – heel zichtbaar in grote steden – bestaan diverse uitingsvormen van religie naast elkaar, en die komen dikwijls met elkaar in botsing. Denk maar aan de controverses over de islamitische oproep tot het gebed of over zondags klokgelui. Inzet van religiewetenschappelijk onderzoek is om de maatschappelijke consequenties van die diversiteit van geloven nauwkeurig in kaart te brengen.”