Column

Opnieuw hongersnood in Afrika: toch weer helpen

Generaties Nederlanders zijn opgegroeid met de beelden van een hongersnood in Afrika. Opvangkampen met stervende mensen, kinderen met opgezwollen buikjes en zwervende groepen met de holle blik van uitzichtloosheid. Vooral de burgeroorlog in Nigeria, waarbij deelstaat Biafra getroffen werd, opende de westerse burger eind jaren zestig de ogen voor honger en ondervoeding op het Afrikaanse continent. De Sahel, de uitgestrekte aride regio tussen de tropen en de Sahara, werd synoniem met honger.

Dit beeld van Afrika als arm en kansloos continent is al lang bijgesteld. De economie groeit er al decennialang steevast tussen de tweemaal en ruim driemaal zo snel als die van de westerse industrielanden. Ook het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking is met een inhaalslag bezig – al is het gat met de rest van de wereld nog groot. En Afrika is geen monoliet: de verschillen tussen landen zijn enorm, van het door oorlog en conflict verscheurde Congo tot Zuid-Afrika, dat op de wereldindex van concurrentievermogen hoger staat dan EU-landen als Roemenië, Bulgarije en Slovenië. Er zijn redelijk functionerende democratieën maar ook dictaturen, economische zwarte gaten maar ook succesverhalen. Nigeria telt inmiddels bijna 16.000 miljonairs.

Toch is met deze opmars de honger niet verdwenen. Deze week waarschuwde het Rode Kruis voor een hongersnood die 42 miljoen mensen bedreigt, in onder meer Somalië, Ethiopië, Zimbabwe, Malawi en Mozambique. Grootste boosdoener is de hardnekkige droogte, die het gevolg is van het weerverschijnsel El Niño. Daarvoor is acute hulp noodzakelijk, en wordt een beroep gedaan op de vrijgevigheid van, onder meer, de Nederlandse burger.

Maar net zoals er een grote diversiteit is in de aard en ontwikkeling van Afrikaanse landen, zo is er ook een grote verscheidenheid in de oorzaken en de vermijdbaarheid van honger. De relatief stijgende welvaart heeft verdelingsvraagstukken niet of nauwelijks opgelost. Nepotisme en corruptie, die met name in grondstoffenlanden diep verankerd zijn, verhinderen vaak de stap van onderontwikkeling naar een moderne economie en samenleving.

Volgens de Financial Times verliet tussen 1970 en 2010 814 miljard dollar het Afrikaanse continent.

De droogte van El Niño is een natuurramp. Maar de omvang van de gevolgen van deze catastrofe kan een stuk kleiner zijn als er voorbereidingen zijn getroffen. Er rust een grotere verantwoordelijkheid dan vroeger op de overheden van de betrokken landen zelf. In Ethiopië, waar de honger nu acuut is, verdubbelde het aantal miljonairs tussen 2007 en 2014 tot 2.700. Waar zijn zij? En dan is er nog de voedselproductie voor landen als Saoedi-Arabië en China, die lokaal plaatsvindt op door deze landen gekochte of gehuurde grond, en ondanks alles wordt geëxporteerd.

Is dat een reden om dan niet te geven? Nee. Er zijn mensen buiten hun schuld in acute nood, en die moeten worden geholpen. Natuurlijk kan de minister van Ontwikkelingssamenwerking namens ons allen de portefeuille trekken. Maar het is juist belangrijk om ook de burger zelf een bijdrage te vragen. Een gift is niet alleen een teken van betrokkenheid, het creëert en bestendigt deze ook.

Dat laat onverlet dat er een groter beroep moet worden gedaan op de getroffen landen. Verbetering van kwaliteit van bestuur kan voorkomen dat natuurrampen gevolgen hebben op de schaal die zich nu voordoet. Je kunt het niet helpen waar je geboren wordt. Maar er kan wel worden geholpen om die plek vruchtbaarder, veiliger en vooral veelbelovender te maken.