Column

Met-zonder-jas

In de canon van de nietsaandehandpraatjes stond vroeger deze opmerking: „Ze zéggen maar wat bij Het Weer. Het klopt toch nooit!” De ander kon antwoorden: „Afgelopen weekend zou de zon schijnen, nou we zijn van de camping weggespoeld.” Erwin Kroll werd gezien als een gezellige oom, maar wel eentje van wie je de mededelingen met een korreltje zout moest nemen. Gelukkig voelde hij zich persoonlijk verantwoordelijk voor het weer, en had hij iets verontschuldigends over zich als de KNMI-voorspelling niet helemaal was uitgekomen. „We hopen dat het komend weekend dan toch echt lekker wordt”, zei hij, waarop de mensen thuis zeiden: „Jaja Erwin. We doen de poncho alvast in de fietstas.”

Inmiddels gaat het voorspellen van het weer veel beter. En dat heeft het gespreksonderwerp ‘klagen over weersvoorspellingen’ radicaal van de baan geveegd. Daarvoor in de plaats gekomen is het ‘toch nog fris’-gesprekje. Als alle voorspellingen hebben laten weten: zon, hoge temperatuur, geen wolkje aan de lucht; dan kan er nog altijd een frisse wind waaien. Waardoor je misschien beter nog je winterjas aan had kunnen houden. „Toch nog fris, anders.” „Nou.”

Vaak kijk ik ’s ochtends uit het raam en peil aan de hand van de voorbijgangers wat ik aan zou moeten doen. Zie ik veel dassen, dan doe ik zelf ook een das om. Maar soms is het twijfelweer, en met twijfel gaan verschillende mensen heel verschillend om. Afgelopen week was er zo’n zonnige dag die eigenlijk heel koud was. Ik zag wat optimisten in t-shirt en op slippers, die probeerden uit te stralen dat ze aan het genieten waren. Ik zag ook iemand die nog een muts op had, al kan dat een verstrooid persoon zijn geweest – iemand die er door zijn echtgenote aan herinnerd moet worden dat er seizoenen bestaan.

Op grond van de data besloot ik tot een zomerjas en ‘toch maar een sjaal’. Dat werd bibberen en denken: ik had een trui aan moeten doen.

Eigenlijk heb ik behoefte aan de situatie zoals die was op de lagere school. Daar was de juf. Die gaf uitsluitsel over wat we aan moesten doen. Zagen we buiten een zonnetje, dan riepen we: „Juf! Mogen we met-zonder-jas?” De juf keek naar buiten, en zei meestal nee. Soms zei ze ja. Dan was het feest. Zonder jas stond je buiten te rillen, maar dat was niet jouw schuld. De juf had het gezegd.