Column

Landverraad

Zelf had ik haar niet op mijn netvlies, maar deze week drong VVD-Kamerlid Ockje Tellegen zich in een klap naar de voorpagina van De Telegraaf. Denk, de nieuwe partij van de weggelopen PvdA-ers Kuzu en Öztürk, voedde volgens haar de vrees dat de „lange arm van Ankara” ook in het Nederlandse parlement werkzaam was. De twee Nederlandse Turken hadden de aanhouding van columniste Ebru Umar immers laatdunkend afgedaan als een mediahype. Daarom stelt zij voor: mocht Denk bij de verkiezingen van over een jaar in de Kamer komen, en mocht de lijsttrekker van die partij dan toetreden tot de commissie-Stiekem, dan moest hij vooraf gescreend worden door de AIVD, want het was niet uitgesloten dat hij staatsgeheimen aan Ankara zou verklappen.

In de meeste peilingen staat Denk gewoon op nul zetels, dus die lange arm zal er nog flink aan moeten trekken. Maar Ockje wil geen enkel risico nemen met de staatsveiligheid: „Ik wil zekerheid hebben over de mensen die daarin [in commissie-Stiekem] zitten. En de diensten willen ook zekerheid hebben voordat ze hun informatie kunnen delen.” Het gaat om een algemeen principe, „maar de discussie rondom Umar is wel de aanleiding voor deze wens”.

In dat laatste kan ik Ockje niet helemaal volgen – wat heeft de mening van Kuzu en Öztürk met onze staatsveiligheid te maken? Die mening is onfris, want hij komt erop neer dat de vrijheid van meningsuiting in Nederland gebruikt moet kunnen worden om het gebrek aan vrijheid van meningsuiting in Turkije goed te praten. Vervolgens wordt de kritiek die over hen wordt uitgestort door het duo aangevoerd als bewijs dat in Nederland geen echte vrijheid van meningsuiting heerst. Huh, maar daar gaven ze toch niet om – of wel in Nederland, maar niet in Turkije? In de wetenschap heet zulk krom denken cognitieve dissonantie. In het gewone leven heet het schaamteloos opportunisme.

Maar je mag het vinden, Ockje.

Bij de VVD weten ze dat ook wel, ze waren daar ooit liberaal, maar die hypothese van dreigend landverraad is electoraal te aantrekkelijk om er tot na de verkiezingen mee te wachten. Als je de loyaliteit van mensen zo fundamenteel in twijfel trekt, dan hoort daar bewijs bij. Een foute mening is niet genoeg, dan blijven we aan de gang. Maar van Ockje mag de verdachtmaking zelf een jaar lang het werk doen. Daardoor wordt de Denk-aanhang weer in zijn overtuiging gesteund dat alleen je afkomst verdenking rechtvaardigt. Zoals de mannen van Denk het gevoel van permanente miskenning bij Nederlandse Turken en Marokkanen aanwakkeren, zo krijgt de VVD zuurstof door de angst voor een vijfde colonne te verspreiden.

In deze krant schreef Zihni Özdil dat het infantiele gejuich onder Turkse Nederlanders na de aanhouding van Umar niet uit de lucht kwam vallen. De Nederlandse overheid heeft volgens hem reactionaire Turkse bewegingen vanaf de eerste generatie gastarbeiders gesteund, zodat „het wereldbeeld van veel Turkse Nederlanders zwaar conservatief-religieus, patriarchaal, antisemitisch, homofoob en Turks-nationalistisch is”.

Er speelt nog iets, denk ik. De denktrant van Denk is helemaal van nu, namelijk totaal emotioneel: men wijst terecht op aantoonbare achterstelling en eist tolerantie op – om vervolgens intimiderend naar anderen te zijn. Men gebruikt de democratie om een uitzonderingspositie te bedingen. Men beroept zich op gelijkheid om ongelijkheid te kunnen huldigen.

Ik bedoel, als je trots afhangt van de verbeten ontkenning van de Armeense genocide en het intimideren van mensen die een andere opvatting zijn toegedaan – wat voor eigenwaarde is dat? Of neem de infantiele verdachtmaking aan het adres van Umar die nu rondgaat in de sociale media, dat ze geen echte Turk zou zijn maar een Armeen – klassiek gevalletje verdringing. Is dat de grondstof voor een vitaal, kritisch zelfbewustzijn? Het duidt eerder op een kwaad geweten. Over het opnieuw verklikken van Umar bij de Turkse autoriteiten deze week heb ik het niet eens – wat voor soort trots is dat?

De politieke tweemansfractie Denk exploiteert deze benarde mentaliteit bewust, omdat er wat te halen valt. Maar het antwoord van andere partijen zou meer moeten zijn dan publicitair een voorschot nemen op nog te plegen landverraad. Het vraagt om scherpe, gerichte kritiek. Het probleem zit namelijk niet volgend jaar in de commissie-Stiekem. Het probleem ligt gewoon al op straat.