Kijk uit

Georgina Verbaan

Mijn eerste echte eigen appartement dat ik in Amsterdam huurde was in de Van Woustraat op één hoog. Nummer 52, als ik het me goed herinner. Ik moet een jaar of achttien geweest zijn en was bij een vriendje weg. Na een tijd als de kattenoppas van vakantiegangers door de stad gezworven te hebben met twee vuilniszakken vol goedkope kleren, Spice Girls-schoenen en gebroken make-uppaletten, ging ik op zoek naar een eigen plek.

De meest vreselijke huizen werden bekeken, huizen die de herinnering aan afleveringen van true crime-programma’s opriepen. Huizen waarvan ik zeker wist dat er na een paar maanden een ondraaglijke stank rond zou waren en dat er dan een lijk onder het opmerkelijk gevormde bad van de ‘speels ingerichte badkamer’ gemetseld zou blijken te zitten. Van die plekken waar geen licht binnenkwam en waar je een keukentrapje voor het raam in de woonkamer moest zetten om naar buiten te kunnen kijken, ergens aan de rand van de stad. En donkere huizen waarin veel met keukentrapjes gewerkt moet worden maken het voor de zwaarmoedige geest gevaarlijk makkelijk om het voortouw te nemen.

Groot was dan ook mijn verrukking toen ik midden in de Pijp een lichte etage trof. De Pijp was toen nog niet wat het nu is. Nog niet schreeuwend duur, wel druk, dat al wel. Ik heb overigens lang niet begrepen dat ik in de Pijp woonde. Als men vroeg waar ik woonde en ik zei „In Oud-Zuid” dan oogstte ik altijd bewonderende oohs, en dat beviel me. Op het straatnaambord staat namelijk onder Van Woustraat: Oud-Zuid. De typisch Amsterdamse sneer ‘Schat, doe niet zo duur! Jij woont gewoon in de Pijp’, knipte deze gouden veren lekker kort, maar de verwarring bestaat nog altijd. (Waarom staat er Oud-Zuid op die bordjes??)

Over de etage – waar ik direct ja op had gezegd vanwege de locatie, de koelkast, de oven en het balkon – kan ik kort zijn; dat was een ex-wietplantage. Ik ben een week bezig geweest om de gaten in het plafond te dichten. En in de badkamer kneep ik naast tien flessen bleek ook aardig wat flessen Dethol leeg. Er was door de harde werkers in de plantage namelijk weinig gedoucht in de badkamer, en de wc was ook niet vaak gebruikt. wc-gerelateerde handelingen hadden namelijk plaats gevonden op de plek waar de meeste andere mensen normaal gesproken zouden douchen, de koelkast bleek meer een plek om voedsel sneller in te laten bederven en in de oven was veel bereid geweest, maar geen voedsel. Al met al een perfect eerste huis, zeker als je van dieren houdt. Want die liepen daar ook en die kon je in de eenzame uren des nachts in grote getale horen piepen.

De huisbaas, een vinnige vrouw in een dikke Mercedes, reed om en nabij elke maand langs om de huur van 800 gulden op te halen. Als je er niet was lag er een briefje in huis dat ze was geweest. Ik had overigens wel vaker het idee dat ze er was geweest als ik niet thuis was. Zeker die ene keer, toen ik bijna gestorven was. Ik was met mooi weer thuisgekomen en was naar boven gerend om mijn balkondeuren te openen en op mijn balkon neer te ploffen. Gelukkig besefte ik in de milliseconde voor ik mij op het balkon stortte dat er een belangrijk detail mistte: het balkon. Binnen lag een briefje. „Kijk uit, balkon is weg. Gaan verbouwen.”