Hoe minder u woog, hoe meer u mij verbrijzelde

De Vlaamse krant De Morgen vroeg een aantal auteurs bij het verschijnen van Arnon Grunbergs nieuwe roman een ‘moederbrief’ te schrijven. Tom Lanoye over liefde en emotionele chantage door de vrouw die hij opvoerde in de roman Sprakeloos, de ‘Sissi van het amateurtoneel’.

Ma Lanoye als bejaarde in het toneelstukKing Kongs Dochters, haar eerste professionele rol. „U werd op de scène de dood ingejaagd als Mae West. Of was het Betty Davis?” Foto Leo van Velzen

Doorgaans is het gemakkelijk om een brief te schrijven aan wie dood is. Men kan erin huldigen of beschuldigen zoveel men wil, een repliek blijft uit en het pleit wordt beslecht in het voordeel van wie wel nog leeft en schrijven kán.

Met u ligt dat anders, ma. Alles wat u aanbelangde ging nooit vanzelf en was zelden gemakkelijk. Hoe slaagde iemand van met moeite één meter zestig erin om toch overal en altijd larger than life te zijn? Zelfs in uw ziekte, uw aftakeling, uw ellende, ja zelfs in uw allerlaatste coma, bleef u verontrustend en dwingend present. Niet enkel als woordeloze mater dolorosa, maar ook als eeuwige lesgeefster. Alsof u wilde aantonen, tot op uw sterfbed, met uw eigen lijf als bewijs – het lijf dat mij gebaard heeft: „Kijk nog maar eens goed, manneke! Dit is het nu. Ons bestaan. Pers eruit wat erin zit, maar verwacht er verder niet te veel van. Het is rap voorbij en het einde is bijna altijd een schandaal.”

U zo te moeten zien liggen op uw laatste bed? Zo hulpeloos? Zo uitgemergeld? Zo bijna niets meer? Dat beeld heeft me geplet. Hoe minder u woog, hoe meer u mij verbrijzelde. Ik kom daar nooit meer onder vandaan.

Voor u was emotionele chantage wat een zwiepende voorzet is van Kevin De Bruyne. Het resultaat van veel talent en keihard trainen. In uw geval: decennialang.

Het eerste feestje waarop ik iemand ten dans vroeg, vond plaats in een galmende sporthal, schuin tegenover het troosteloos moderne station van mijn geboortestad. Er waren een paar honderd feestvierders aanwezig, allemaal gezinnen. Het moet een zondagnamiddag zijn geweest, want mijn vader zat naast ons, schransend en drinkend aan een van de eindeloze schraagtafels – opgesmukt met papieren lakens, kartonnen borden, plastic bestek, blikken asbakken. Alleen op zondag was onze slagerij gesloten, alleen op zondag had mijn vader vrij.

Hoe oud zal ik geweest zijn? Dertien? Veertien? De sfeer in de hall was meer landerig dan uitgelaten. Ik maakte me wijs dat ik ter plekke verliefd was geworden op een prachtig meisje dat me bekend voorkwam. Dochter van vage kennissen. Tot mijn verbijstering wees ze me niet af. Ze volgde me, een hand in die van mij, naar de houten dansvloer die als een vierkant eiland tussen de tafels was neergelegd, pardoes op het gekleurde sportbeton met zijn witte strepen. Ik weet zeker dat het een orkestje was dat voor de muziek zorgde, en nog geen discobar. Het meisje vlijde zich met gesloten ogen tegen me aan.

Trots over haar schouder kijkend bleef ik opeens, betrapt, met mijn blik haken aan die van u. U was gaan staan, tientallen meters van me vandaan, breed glimlachend en gul knikkend alsof u allerlei bekenden om u heen wilde groeten. Maar uw ogen losten die van mij geen minuut. Ik las er wrevel in, beschermzucht, melancholie. Uw brede lach, zag ik, was tegelijk verkrampt. Vervolgens wenkte u me voorzichtig met de wijsvinger naar u toe.

Ik bleef met het meisje slowen, maar zonder mijn ogen af te wenden. Uw lach verdween gestaag naarmate u steeds opzichtiger begon te wenken. Ten slotte wapperde u met uw ene hand hoog boven het hoofd en had u de andere ferm in de zij gezet. Uw ogen vlamden, ik geloof zelfs dat u stampvoette. Steeds meer mensen aan onze tafel keken eerst u aan en vervolgens – met geamuseerde blik – mij. Het was een krachtmeting die ik niet kon winnen. Ik liet het meisje met een smoes achter en begaf me naar onze tafel.

Geruststellend om u heen glimlachend sprak u me fluisterend in het oor. In weerwil van uw poeslieve grijns was uw toon berispend, uw analyse hard. Ik zat naast u, uw lippen raakten mijn oorschelp: „Ik denk niet dat dat schoon kind een geschikt meiske is voor u. Haar ouders zijn gescheiden, haar vader heeft een drankprobleem en haar nonkel is al acht keer failliet gegaan. En over haar moeder vertel ik later wel, als ge wat ouder zijt.”

Op de dansvloer, zo zag ik, hing het meisje inmiddels al met gesloten ogen te slijpen tegen iemand anders aan. Zo had u me toch weer een les geleerd. Weggaan is plaats afstaan. En de liefde is wendbaar als een espenblad.

Heel soms heb ik ú berispend toegesproken. U luisterde nooit. Ook niet toen u en mijn vader wekenlang in jullie bescheiden auto bij valavond naar Molenbeek tuften, gehoor gevend aan jullie grote passie: het amateurtoneel. Jullie keerden laat in de nacht ook zelf weer terug naar onze geboortestad Sint-Niklaas. Een rit van een uur, vaak in rotweer en rukwinden. Begeleiding of hulp lachte u weg. U was toen al zevenenzeventig, mijn vader nog twee jaar ouder. We schrijven november 1999.

De Koninklijke Vlaamse Schouwburg (KVS) werd gerenoveerd en had tijdelijk onderdak gevonden in de Bottelarij, een voormalige brouwerij in hartje Molenbeek, dat volgens sommigen toen al een hellekrocht moest worden genoemd. De komst van een theater, hoe tijdelijk ook, bewoog alvast één imam tot een donderpreek tegen de algehele zedenverwildering die onlosmakelijk verbonden was met elke vorm van podiumkunsten. Godsdiensten die protesteren tegen toneel? Het heeft iets van een kleingeestige concurrentiestrijd om zingeving en verbeelding.

De gevel van de Bottelarij raakte ontsierd door smalende graffiti, er vielen bij de ingang scheve woorden tussen acteurs en bewoners, belhamels beschadigden de wagen van een bezoeker. De rust keerde echter weer toen de omwonenden ontdekten dat ook zij in het ruime gebouw trouwpartijen en dansfestijnen mochten aanrichten – andere feestzalen bestonden niet in de buurt – en dat sommigen ook een betrekking konden krijgen als nachtwaker.

Niettemin bleef ik het onverantwoord vinden dat jullie zomaar op eigen kracht naar, nou ja, een halve oorlogszone trokken. Ikzelf: opeens zelf een hysterisch overbezorgde moeder. U: opeens een koppige student die alle goede raad wegschokschouderde. Mijn vader: uw levenslange meeloper. Ook hij vond mijn bemoeienis overspannen. U, de keizerin Sissi van het liefhebberstoneel, was door de KVS uitgenodigd voor het eerste professionele rolletje in uw bestaan! Niets zou u tegenhouden.

Tenzij, op een haar na, de aard van het stuk. U zou een van de dementerende bejaarden vertolken in King Kongs Dochters van Theresia Walser. Drie verpleegsters – moderne schikgodinnen – vermoordden één na één de oude scharminkels, nadat ze hen wel nog een laatste keer feestelijk hadden uitgedost als Hollywood-iconen. U werd op de scène de dood ingejaagd als Mae West. Of was het Betty Davis?

Dat onderdeel – onwaardig creperen – kon nog rekenen op uw gulle instemming. Maar dat uw rol in het stuk geen enkele repliek kreeg, viel in slechte aarde. U hebt zelfs bij de regisseur, zo meldden mijn bronnen later, gepleit voor de invoeging van een kleine monoloog „die het toneelstuk in zijn geheel ten goede zou komen”. U kende zelfs een vakman uit uw directe omgeving „die dat snel in orde zou kunnen brengen, voor weinig geld”.

„Als hij tenminste tijd vindt voor mij. Het is een drukbezet manneke. Ik zie hem minder dan ik zou willen.”

De ingevoegde monoloog kwam er niet en u trok uw medewerking niet terug. Integendeel, u beleefde triomfen in Molenbeek. U mocht immers het stuk beginnen. Geen sinecure, maar toegegeven: u bracht het er glansrijk vanaf.

Naast een cassetterecorder gezeten keek u lang en keihard de zaal in. Sprakeloos, zoals u dat later tegen uw wil voorgoed zou worden. Pas na een paar minuten drukte u een knop in en begon een cassette te spelen. De zoon van uw personage putte zich uit in excuses, omdat hij alweer niet was komen opdagen voor een bezoekje in het rusthuis. Hij had het zo hondsdruk! Dat moest ze toch verstaan? Dat wilde toch niet zeggen dat hij niet van haar hield?

Bij de première keek u mij opnieuw, net als decennia daarvoor in die galmende sporthal, met priemende ogen aan. Terwijl dus de beschamende bekentenis van een zoon uit de gettoblaster rolde. Opnieuw keerden vele ogen zich geamuseerd van u op de planken naar mij op de achtste rij. Zelfs zonder woorden, en plein public, berispte u mij weer. Lessengeefster, diva, plaagstaart. Actrice par excellence.

De KVS heeft allang weer intrek genomen in zijn gerestaureerde thuis – geen bottelarij, maar een voormalig munitiedepot. De nachtwaker is mee verhuisd uit Molenbeek.

Na uw dood kwam hij me condoleren. Jullie hadden veel gesprekken gevoerd, verklapte hij, en hij had u moeten bezweren geen geneeskrachtige bouillon of kruidenthee voor hem mee te brengen, teneinde de nacht goed door te komen. U had hem zelfs nog de les gespeld over de ramadan, monkelde hij. Dat hij in het geheim wat moest eten, want „gezond kan dat niet zijn, al dat vasten en dan opeens al dat schrokken, vlak voor ge gaat slapen”.

Telkens als ik hem zie, knikken we naar elkaar. Soms steekt hij ook zijn duim op. Woordeloos, maar overduidelijk: „Grote madam, die kleine ma van u.”