Ombudsman

Het boek van Pepijn ‘Vossius’: fictie of politiek pamflet?

Aan het begin van de single ‘Diamond Dogs’ (1974), zijn visie op een postapocalyptisch Manhattan, krijst David Bowie: „Dit is geen rock-’n-roll! Dit is genocide!” Maar het was natuurlijk wél rock-’n-roll – en hele goeie ook.

Is het boek van Pepijn van Houwelingen, Oneigentijds, ook zoiets, maar dan omgekeerd? Geen persoonlijke, sinistere spierballenfantasie van de auteur zelf, maar louter een literair verzinsel?

En is een humoristische column, waarin gevarieerd wordt op antisemitische clichés zelf géén antisemitisme omdat de auteur het niet zo heeft bedoeld?

Eerst Van Houwelingen. In een reactie op het onthullende artikel over zijn boek in NRC Handelsblad van Wilmer Heck en Derk Stokmans (De machtsfantasie van een referendumactivist , 10 april) schrijft hij: „Mijn schrijverschap staat volledig los van mijn eigen (al dan niet politieke) opvattingen.”

In dat opzienbarende stuk tonen Heck en Stokmans aan dat Van Houwelingen, een van de initiatiefnemers van het Oekraïne-referendum, de auteur is van Oneigentijds, dat in 2010 verscheen onder het pseudoniem Vossius. Twee wandelaars becommentariëren in dat boek, in een dialoog vol reactionair revisionisme, de noden van de moderne, decadente samenleving.

Nou ja, dialoog. Tegenover een tegensputterende ‘Jan Jansen’ komt het hoogste woord voortdurend van Vossius zelf, die fulmineert tegen de politiek-bestuurlijke elite, „de incestueuze kliek” die de fatsoenlijke, hardwerkende burger heeft „verraden”.

Niet alleen dat, Vossius wandelt door een ware catalogus van rechts-radicaal revisionisme over slavernij, nazisme, Holocaust, ontaarde kunst, een rassenleer als „cultuurfundament” dat in staat is om „een enorme vitaliteit en energie op te wekken”, et cetera. Hij pleit voor hernieuwde „morele moed” om te discrimineren, mobilisering van het „gezonde volksgevoel” en uiteindelijk een bewapende burgerij. Aan het slot van het boek krijgt de onnozele modernist Jan Jansen een stichtelijk leeslijstje mee.

Van Houwelingen schreef het boek naar eigen zeggen om „de grenzen van het toelaatbare, het redelijke en het menselijke te onderzoeken”. Met als doel het leven „gelouterd, wijzer en milder” te bezien.

Het stuk leidde tot een stormpje van kritiek. De krant werd een „hetze” tegen de bedenkers van het referendum verweten, alsmede een oliedomme „klassieke fout”, het verwarren van auteur en personage. Van Houwelingen zelf vond het ook „erg triest en jammer” dat hij werd vereenzelvigd met een fictief personage uit zijn „filosofisch-literaire dialoogroman”. Een lezer vroeg zich af of de krant dit „in opdracht” had gedaan. Er kwamen overigens ook reacties binnen van lezers die blij waren met het inkijkje.

Wat die ‘hetze’ betreft: Heck en Stokmans liepen tegen het door Aspekt uitgegeven boek aan, en vonden het relevant. Voor de meest wantrouwigen: ze kregen er geen „opdracht” of zelfs maar subsidie voor van BuZa, EU, VN of andere perfide organisaties. Ze zochten vervolgens herhaaldelijk, vijf dagen voor publicatie, contact met Van Houwelingen, die uiteindelijk erkende de auteur te zijn en een reactie gaf.

Maar dit is literatuur!

Ja, maar dat is geen verzekeringspolis die je naar believen kunt trekken als de grond te heet onder je voeten wordt. Ten eerste: Heck en Stokmans vereenzelvigen de auteur nu juist niet met de inhoud van het boek. Integendeel: ze onderzoeken óf er overlap bestaat tussen de ideeën van ‘Vossius’ en die van Van Houwelingen. Dat is een vraag die je helemaal niet hoeft te stellen als je een auteur simpelweg identificeert met een personage.

Bij een ideeënboek zijn de ideeën van de auteur relevant

Bovendien, een schrijver valt niet samen met zijn personages, maar die zijn toch ook geen boze geesten die plotseling, uit het niets, bezit van hem nemen. Een boek zegt per definitie iets over de interesses en denkwereld van de schrijver. Je kunt als amateurtuinier ook gerust een leuke dialoog schrijven tussen twee tuinmannen, bijvoorbeeld een classicistische Fransman en een Japanse Zenmonnik, maar vervolgens volhouden dat het resultaat he-le-maal niets te maken heeft met je opvattingen over tuinieren, het lijkt me lastig.

Ten tweede: dat geldt a fortiori voor een boek dat geen roman is (dat staat ook niet op het omslag), maar een „ideeënboek”, al is het dat bij monde van fictieve personages. Van Houwelingen is een politiek geëngageerd burger en activist – en dus is een ideeënboek van zijn hand interessant. Zeker als dat uitmondt in een pleidooi voor referenda als middel om de zittende macht te breken, waar hij zich in de echte wereld voor is gaan inzetten. Dat wil niet zeggen dat hij alles vindt wat er aan huiveringwekkends in staat – maar dat beweren Heck en Stokmans ook niet. Hun stuk was overigens juist geen recensie – voorzien van ballen of sterren – maar een feitelijk nieuwsverhaal.

Sterker, wat ik hooguit miste in hun ernstige, gepantserd opgeschreven artikel was nu net een recenserende analyse: een plaatsbepaling van dit boek in de Europese cultuurkritiek en intellectuele geschiedenis sinds, waarom ook niet, Plato. Van Houwelingen plaatst zich toch niet voor niets, zoals hij zegt, „in de traditie van De Maistre, Maurice Joly, Nietzsche, Gabriele d’Anunzio, Dante, Adorno en Foucault – met een vleugje Malaparte en Norbert Elias”.

Misschien kan NRC-criticus Arnold Heumakers, met zijn kennis van radicaal gedachtengoed, hier zijn licht nog eens over laten schijnen?

Alle gekheid op een stokje.

Was dit karaktermoord? Nee. Een geëngageerde auteur die in een boek met filosofische pretenties op deze manier „de grenzen van het toelaatbare” opzoekt, moet niet gek opkijken als hem om een toelichting wordt gevraagd. Je handen heffen en „literatuur” roepen, is geen panacee.

Trouwens, „column!” roepen ook niet altijd.

In een column voor nrc.next trok schrijver Ilja Pfeijjfer van leer tegen Leon de Winter, die zich verzet tegen de uitgave van een boek van de Arabische activist Abou Jahjah bij de Bezige Bij. Klap op de vuurpijl: als alle Joden zo waren als De Winter, zou Pfeijffer de „redelijkheid van het antisemitisme inzien”.

Pardon? Zijn uitleg: dat is een grap, in een column over een auteur die zelf overdrijving en grote woorden ook niet schuwt. En hij begrijpt het antisemitisme dus juist niet, want niet alle Joden zijn zoals De Winter.

Ja, maar al zouden ‘ze’ wel ‘zo’ zijn – wat een antisemiet toch al zal denken – is het grappig om te beweren dat antisemitisme dan „redelijk” zou zijn?

Schrijver en dichter Pfeijffer is geen antisemiet – dat moeten opschrijven is al ongemakkelijk. Maar goede intenties maken zulke variaties op racisme nog niet onschuldig. Een individu nemen als exemplaar, al dan niet als representatief, triggert het antisemitische stereotype. Zie het repertoire van Theo van Gogh, die al jaren geleden, onder het mom van strijd tegen schijnheiligheid van De Winter, grappen meende te kunnen maken over de gaskamers.

Inderdaad, heel veel, zo niet alles moet gezegd kunnen worden. Humor kan grof, zwart of ziek zijn. Maar het is naïef en ahistorisch om te denken dat je niet aangesproken kan worden omdat je politiek radicalisme verpakt in fictie, of omdat je maar een grap maakt.