Geen gewone Indische moeder

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

De rol van vrouwen in de Tweede Wereldoorlog is lange tijd veronachtzaamd in de geschiedschrijving. Marjan Schwegman heeft er als eerste vrouwelijke directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie met succes naar gestreefd daar verandering in te brengen. Ter gelegenheid van Schwegmans afscheid bij het NIOD stelde historica Els Kloek, initiatiefneemster van het inmiddels befaamde naslagwerk 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis (2013) een bijzondere publicatie samen: 101 vrouwen en de oorlog [1]. Behalve van iconen als Anne Frank en Hannie Schaft bevat dit met zorg samengestelde boek biografieën en foto’s van onbekende(re) heldinnen, maar ook van collaborateurs als de ‘zwarte weduwe’ Rost van Tonningen, geschreven door een keur aan deskundige medewerkers.

Els Kloek zelf schreef onder meer het lemma over Ellen van der Ploeg (1923-2013), een van de weinige Nederlandse slachtoffers van Japanse dwangprostitutie die haar ervaringen wereldkundig maakte. Als 21-jarige werd Ellen uit een Jappenkamp in Semarang overgeplaatst naar een bordeel om er als ‘troostmeisje’ – ze verafschuwde die term – te werken. Tot op hoge leeftijd streed ze voor erkenning van wat haar en vele andere vrouwen was aangedaan. Ze getuigde voor de Verenigde Naties, diverse mensenrechtenorganisaties en in 1994 ook in Japan.

Of de moeder van Marion Bloem tot prostitutie werd gedwongen tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië, blijkt niet uit de autobiografische roman Haar goede hand [2]. Bloems oma daarentegen zinspeelde regelmatig op haar min of meer gedwongen affaire met een Japanse officier. In Haar goede hand beschrijft Bloem vooral de gevolgen van de ellendige oorlogservaringen van haar moeder, een poliopatiëntje dat van haar twaalfde tot haar zestiende in drie verschillende Jappenkampen zat. Ondanks haar handicap – een verlamde rechterarm – wist ze overeind te blijven, niet alleen in de kampen, ook gedurende de gewelddadige Bersiap-periode en tijdens de vernederende behandeling die zij en haar gezin moesten ondergaan in het naoorlogse Nederland. Met haar ‘goede’ linkerhand reageerde ze haar frustraties af op haar kinderen en echtgenoot.

Het moet een zware opgave zijn geweest voor haar dochter om van deze getraumatiseerde furie een genuanceerd en zelfs liefdevol portret te schetsen. Marion Bloem is daar met verve in geslaagd. Mede dankzij het feit dat ze haar ouders jarenlang heeft geïnterviewd over hun achtergrond, wint het begrip voor hun leed het van de pijn die haar is aangedaan.

Wie het zelden over de oorlog heeft, is Somberman, een personage van Remco Campert, dat in de Volkskrant columns schrijft over de zinloosheid van het bestaan. Van zoiets ergs als oorlog zou hij bijna gelukkig worden en geluk past niet in zijn wereldbeeld. Maar in de verzamelbundel Somberman op drift [3] komt de oorlog ineens om de hoek kijken als hij over vervuiling nadenkt. „Moet je je voorstellen: de vervuiling van het milieu, want dat was natuurlijk allang begonnen. Neem de Tweede Wereldoorlog, het kon niet anders of die had ongelofelijk aan die vervuiling bijgedragen. En de Derde Wereldoorlog, al wilde niemand hem zo noemen, die nu aan de gang was, wat bracht die niet aan vervuiling teweeg. Het was niet des Sombermans, maar thuisgekomen viel hij bedroefd in slaap. Toen hij weer wakker werd, was hij nog altijd triest. Zo voelde hij zich godzijdank weer zichzelf. En het zou te ver gaan om hier God voor te danken. Die bestond trouwens niet eens.” Met negentien absurdistische tekeningetjes completeert Stefan Verwey het beeld van de zijns ondanks vertederende lieve, boze Somberman.

Het inktzwarte beeld van de toestand in de wereld dat Marianne Thieme en Ewald Engelen schetsten in De kanarie in de kolenmijn [4] zou Somberman aanspreken, ware het niet dat zij pleiten voor verandering in het politieke en persoonlijke leven om de wereld van de ondergang te redden. In dit zogeheten ‘omkeerboek’ beschrijft Engelen de gevaren die dreigen uit economisch perspectief en geeft Thieme een ecologische visie op de huidige wereldproblemen, veroorzaakt door de bio-industrie en de bancaire sector. De steekwoorden zijn bekend: marktwerking, globalisering, schaalvergroting, winstmaximalisatie, schuldverslaving. De biodiversiteit en de wereldvoedselvoorziening zijn in gevaar, de waterschaarste is – meer dan godsdienstige twisten – de bron van nieuwe oorlogen. „Als alles een markt is, is alles handel en als alles handel is, is alles geoorloofd om je winst te maximaliseren. Dat is het naargeestige mensbeeld dat marktwerking verbreidt”, schrijft Engelen. Precies wat Marx en Engels al betoogden in het Communistisch Manifest. De oplossingen van Thieme en Engelen zijn vager dan hun analyse: zij roepen op tot verzet en versterking van de Partij voor de Dieren.