Denk de terugkeer weg

Op reis in Iran vraagt Marjoleine de Vos zich af hoe het zou zijn om daar te moeten blijven. „Ik kijk naar de mensen op straat in Isfahan en Shiraz en stel me hen voor, plotseling overgeplaatst naar Ter Apel, in de regen.”

Jameh moskee, Isfahan, Iran Foto Hermes Images/AGF/UIG

Hoe ver weg het ‘nieuws’ is als je even niet oplet. Misschien omdat het uiteindelijk gaat om wat géén nieuws is, om het alledaagse allervolste leven, om nieuwe laarzen nu de oude gescheurd zijn, om welke school voor de jongen, dat het regent, dat de taxi te laat is, dat de verzekering iets anders schrijft dan je meende begrepen te hebben, dat die cd van Calefax zo mooi is, dat er zo’n idioot donkere lucht achter de boerderij hangt en dat de buurvrouw afstapt en zegt: wat een mooie lucht hè?

Maar thuis ligt de krant en onze plicht om die te lezen en ons op de hoogte te stellen van wat er in de wereld gebeurt. De tweespalt wordt niet eens als tweespalt gevoeld: er zijn de dagelijksheden, er is de krant, die ook bij de dagelijksheden hoort en ze tegelijkertijd kleineert, want wat doet het ertoe dat je muizen in de voorraadkast hebt als er intussen Amerikaanse verkiezingen zijn?

Bijna iedereen weet het niet-hardop-te-geven antwoord wel: die muizen zijn nu voor mij heel wat urgenter dan die verkiezingen. Maar zodra er verstandige mensen verschijnen, doen we allemaal of de economie en de buitengewoon verkeerde omgang daarmee van onze regering (zoals we lazen in de opiniebladen) ons dag en nacht bezighouden.

Dat betekent niet dat het alledaagse eigenlijk het enige belangrijke is. Juist niet – de alledaagsheid is de achtergrond van gedachten en gevoelens die alles te maken hebben met wat een leven echt de moeite waard maakt. De dingen die een mens werkelijk vervullen.

Welke dat zijn weet je niet eens altijd. Soms is afstand een vergrootglas dat precies hangt boven waar het je nu eigenlijk om gaat.

Onlangs was ik een week naar Iran. Met een vrouw die ik van tevoren niet kende. We maakten een intensieve reis van een week, langs steden en een enkel dorp, op zoek naar hoe de poëzie van de veertiende-eeuwse dichter Hafez leeft in Iran. Uit een stuk van Kader Abdolah had ik begrepen dat ‘iedereen’, elk huishouden, wel de verzamelde gedichten van Hafez, (zijn ‘divan’, zo heet zo’n bundeling), in huis had. Dat leek overdreven, en dat is het vast ook, maar er bleken verrassend veel mensen, aldoor, overal, die verklaarden dat poëzie een belangrijke rol in hun leven speelde en de poëzie van Hafez meer in het bijzonder. Bijvoorbeeld zulke regels (in de vertaling van Sipko A. den Boer):

Geniet zolang je kunt van dit moment,

want op het moment dat hij er niet meer van kon genieten

verliet Adam het paradijs – de tuin waar vrede heerst.

Zo’n bewering van Kader Abdolah geeft te denken. Vraag hier op straat aan een voorbijganger naar een gedicht en men kijkt je glazig aan. Zelfs hoogopgeleiden weten desgevraagd geen enkele dichter te noemen. Laat staan dat een taxichauffeur zegt dat hij wel een ‘gewoon’ gedicht kent, zoals de taxichauffeur in Isfahan:

De stervende kaars zegt tegen de vlinder: ik sterf van liefde voor jou. Maar alsjeblieft, doof me niet uit.

Iran dus. Al reizende, en geen kranten lezend, voel ik hoe mijn ‘eigen wereld’ een andere vorm aanneemt. Die verandert deels in alles wat je ziet en wat je je afvraagt – en dat is daar werkelijk veel. Maar ook van wat je binnenin draagt, houd je lang niet alles over, alleen essentialia, alleen maar sommige liefdes, behoeften, belangstellingen, overtuigingen, – soms andere dan je verwachtte. Op reis valt de beschermende laag van de dagelijksheid weg en kom je onbevangener tegenover je eigen leven te staan, zeker als je probeert dat enigszins bekend te maken aan een reisgenoot.

Nieuws lijkt het allerlaatste wat je mist. De wereld is zo vol, vol van mensen en hun bezigheden, hun gesprekken, hun gastvrijheid of onverschilligheid. Vol van alles wat je ogen willen opslokken, vol van alles wat onbegrijpelijk, onbekend, ondoorzichtig is.

In het groot speelt het ‘nieuws’, dat wil zeggen dat waar kranten mee openen en commentaren licht op proberen te werpen, ook in Iran uiteraard een rol, een heel grote, levensbepalende, zij het voor een bezoeker grotendeels onzichtbare. Er zijn niet veel plekken in de wereld waar de geschiedenis niet bestaat of er niet toe doet. Misschien hier en daar op verscholen plaatsen in een oerwoud. De geschiedenis weet de meeste mensen wel te vinden, en niet altijd tot hun geluk.

De reiziger denkt wel zulke dingen, maar ik moet toegeven, de Amerikaanse verkiezingen leken ver weg. Minder ver weg leek iets anders: de vluchteling.

Want wat als ik daar nu zou moeten blijven, daar waar ik het nu zo romantisch vond tussen de bloeiende sinaasappelbomen, de hoge bergen, de onleesbare maar sierlijke kalligrafieën, de mooi opgemaakte gesluierde vrouwen, de vriendelijke, bijna té zachtaardige mannen, de kruidige geuren?

Denk de terugkeer weg.

Denk dat de beelden in je hoofd van een groen land, een geleefd leven, geliefde gezichten, uitsluitend nog in je hoofd bestaan. Dat de onbekende reisgenoot verandert in je meest nabije vriendin, want de enige met wie je kunt spreken. De nu exotische geuren worden vreemd, het geld met de krankzinnige hoeveelheid nullen een handicap, de taal met zijn vriendelijke zang een onoverbrugbare scheiding tussen jou en al die je zo vreemde, donkere gezichten.

Het is niet zo dat je je zulke dingen nooit voorstelt. Maar op reis gaat zo’n voorstelling verder en kun je bijna voelen wat het zou betekenen, de volmaakte omkering van wat een Syriër (of een Iraniër, want laten we ons niet al te veel vergissen in dit land) voelt als hij of zij bij ons komt. De onbekende kleuren en vormen, de onverstaanbaarheid en ontoegankelijkheid van bijna alles. Zoek het zoete leven niet/ in deze ronddraaiende, omgekeerde hemelsfeer, schrijft Hafez.

Ik heb een eigen hotelkamer. Eén nacht moeten mijn reisgenote en ik een kamer delen. Niet erg, zeggen we tegen elkaar, we zijn volwassen mensen, dat die naar de wc moeten weten we, we zullen elkaar privacy geven voor zover mogelijk.

We zijn niet met zijn achten. De wc is schoon. Er slapen niet ook onbekende mannen op deze zelfde kamer, er zitten geen schreeuwende kinderen op de wc te poepen. We hebben het eigenlijk heel comfortabel. De omgeving is lentelijk, het vervallen lemen dorp van grote schoonheid. Het laatste wat ik zou willen is dat iemand ons hier zou opsluiten. Ergens bij een klein dorp in de bergen, in deze mooie maar lege omgeving, in dit afgelegen hotel vol onbekenden, en zei: je moet afwachten. Ik kijk naar de mensen met wie ik in hetzelfde schuitje zou zitten.

Ik kijk naar de mensen op straat in Isfahan en Shiraz en stel me hen voor, plotseling overgeplaatst naar Ter Apel, in de regen, in het gebrek aan kleur, aan geur, aan begrijpelijkheid.

Hoe kan wie luchthartig aan wal staat weten/ hoe wij eraan toe zijn.

Daar sta je, met je hoofd vol van wat oneindig ver weg en het meest nabij is, verloren, in een ondoorgrondelijke wereld.

Het verhaal in de ongelezen krant, je bent het zelf.