Britse kiezer is best tevreden

Voor het eerst sinds een eeuw zijn de Tories groter in Schotland. Critici van Corbyn hebben maar net te weinig munitie voor een coup.

De Schotse premier en leider van de Scottish National Party, Nicola Sturgeon, vrijdag, een dag na de verkiezingen, bij haar residentie in Edinburgh.

Nog iets minder dan vijftig dagen te gaan, en dan houden de Britten een referendum over hun toekomst in of buiten de Europese Unie. Maar wie in de uitslagen van de Schotse en Welshe parlementsverkiezingen, of de Engelse gemeenteraadsverkiezingen van donderdag, enig bewijs hoopte te vinden over welke richting het land eind juni zal inslaan, vindt niet echt een aanwijzing.

Wat zij wel vertellen, is dat de Britse kiezer best tevreden is over hoe het land nu wordt geregeerd. In Schotland bleef de Scottish National Party de grootste partij, in Wales Labour. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in Engeland, normaal door kiezers gebruikt om de regering af te straffen, viel het verlies voor de Conservatieven mee. In Noord-Ierland wordt de uitslag pas in de loop van zaterdag verwacht.

De nadruk ligt echter op ‘best’. De SNP bleef inderdaad de grootste, maar verloor haar meerderheid. Dat is niet alleen relevant omdat ze bij het regeren van Schotland afhankelijk wordt van vermoedelijk de Greens. Maar ook indien de nationalisten na een eventuele Engelse stem voor een Brexit, een vertrek uit de Europese Unie, opnieuw een referendum over een onafhankelijk Schotland willen houden.

Het uitroepen van zo’n referendum zou makkelijker zijn bij een grote overwinning, zoals in 2011, toen de partij 23 zetels won en dat kon uitleggen als een mandaat voor onafhankelijkheid. De Greens zijn ook voor een onafhankelijk Schotland, maar vaag over wanneer daar volgens hen opnieuw over gestemd zou moeten worden. In elk geval heeft premier Nicola Sturgeon er nu niet alleen zeggenschap over.

Bovendien ging de winst nu naar de meest pro-unionistische partij in Schotland: de Conservatieven. Voor het eerst sinds begin vorige eeuw versloegen zij Labour in aantal stemmen. De Tories, gehaat sinds Margaret Thatcher in de jaren tachtig een gemeentebelasting invoerde (de poll tax), en Schotse scheepswerven en staalfabrieken sloot, is nu de officiële oppositie in Schotland, niet Labour.

Lesbische oud-militair

Dat heeft weinig met premier David Cameron te maken. De Schotse Conservatieve leider Ruth Davidson is charismatisch, pittig en populair, en voldoet niet aan het imago dat Schotten soms van Tories hebben. Ze ging naar een openbare school (niet een privéschool), is openlijk lesbisch, en diende in het leger. Bovenal voerde Davidson een eigen, niet door Londen gedirigeerde campagne.

Labour, tot 2011 regeringspartij, verloor onderwijl in Schotland aan iedereen zetels. Zelfs in Glasgow, ooit een Labour-bolwerk. De partij verliest al langer terrein, en de Schotse partijleider Kezia Dugdale wist kiezers niet te overtuigen dat ze stevig oppositie zou voeren. Ze leek bovendien te aarzelen over onafhankelijkheid.

Dat verlies heeft enerzijds dus weinig met Jeremy Corbyn te maken, die in september partijleider van Labour werd. Anderzijds wist Corbyn in Schotland kiezers ook niet voldoende te overtuigen met zijn radicaal linksere koersverandering dat twijfel over Dugdale overkomelijk was.

Noch in Wales, waar Labours verlies beperkt bleef tot één zetel. Dat is te danken aan de Welshe premier Carwyn Jones, die op staatsmanachtige wijze omgaat met de crisis rond de mogelijke sluiting van de Tata-staalfabriek. Corbyn vertoonde zich ook niet in Wales, volgens Welshe media op verzoek van Jones.

In Engeland waren de gemeenteraadsverkiezingen wel een graadmeter voor Corbyns Labour-koers. In jaren waarin er geen Lagerhuisverkiezingen worden gehouden, doet de oppositie het bij gemeenteraadsverkiezingen altijd goed. Alleen toen Margaret Thatcher op het hoogtepunt van haar populariteit was tijdens de Falklandsoorlog in 1982, verloor de oppositie zetels.

Vandaar dat enkele tientallen zetels verlies voor de Conservatieven in de lijn der verwachting lag. Zeker omdat de partij landelijk hopeloos is verdeeld over Europa, een controversiële woningwet wil invoeren, ruziet over de begroting, en een langdurig conflict heeft met artsen-in-opleiding, met stakingen als gevolg.

Daar profiteerde Labour niet van. De partij verloor tientallen zetels. Of in Corbyns woorden: „We klampten ons vast.” Omdat het verlies minder erg is dan verwacht, hebben critici van de partijleider onvoldoende munitie voor een coup.

Lichtpunt voor Labour was de verkiezing van Sadiq Khan tot burgemeester van Londen. Maar ook dat kan niet aan Corbyn worden toegeschreven: Khan probeerde de afgelopen maanden afstand te houden van de partijleider.

De zetelwinst in Engeland ging naar de Liberaal-Democraten en de eurosceptische UK Independence Party. Dat laatste heeft zeker met het komende referendum te maken. Door de campagne is de bekendheid van de partij gegroeid. In Wales won UKIP voor het eerst zetels in de Assembly.

In het verkiezingsgeweld van de afgelopen dagen viel nauwelijks op dat de Brexit-campagne ook nog werd gevoerd. In het Blijven-kamp schaarde zich de Japanse premier, in het Brexit-kamp de Republikeinse presidentskandidaat Donald Trump.