In het Westen is alles beter

Aan de hand van de lotgevallen van twee joodse migranten beschrijft historicus Erik Schumacher heel compact ook de moderne geschiedenis van de Europese joden.

Mau en Gerty Hanemann in betere tijden Foto privéarchief Ineke Fenger/Foto IStock, bewerking Fotodienst Nrc

Zo onderhand zou je denken dat over het gruwelijke lot van de joden in de Tweede Wereldoorlog alles wel bekend is. De omvang en aard van de naziterreur, de moeizame onderduik, de onverschilligheid en collaboratie van de niet-joodse omgeving, de magere hulp van het verzet, het zijn onomstreden feiten waar weinig op af te dingen valt. Toch duikt er zo nu en dan een bijzonder boek in dit genre op. Dat komt niet zozeer door het relaas zelf, maar door de manier waarop het verteld wordt. Zo verscheen vorig jaar De onontkoombare afkomst van Eli d’Oliveira van historicus Jaap Cohen. Behalve het lot van een Portugees-joodse familie die aan deportatie probeert te ontkomen, wordt hierin ook de geschiedenis van de Portugese joden in Nederland vanaf de 17de eeuw behandeld. Op die manier krijg je een goed inzicht in de verhouding tussen de Portugees-joodse gemeenschap en haar niet-joodse omgeving.

Iets vergelijkbaars doet historicus Erik Schumacher (1983) in zijn voortreffelijk geschreven Mau en Gerty. Een Joodse liefdesgeschiedenis tussen volksverhuizingen en wereldoorlogen. Ook hij plaatst zijn hoofdpersonen in een historisch verband, waardoor je een beeld krijgt van de geschiedenis van de Oost- en Midden-Europese joden, die eind 19de en begin 20ste eeuw westwaarts trekken op zoek naar een beter bestaan.

Bismarck

Zo beschrijft Schumacher hoe in 1869 rabbijn Isaak Rülf vanuit zijn woonplaats Memel, in het uiterste puntje van Oost-Pruisen, het Litouwse Kaunas in het Russische Rijk bezoekt. Hij treft er een vrome, straatarme gemeenschap van joodse nijverheidslieden en handelaartjes aan, die de meerderheid van de bevolking vormt. Aan de hand van deze rabbijn, die zijn diepreligieuze geloofsgenoten in Kaunas mateloos bewondert, beschrijft Schumacher de joodse emigratie uit de tsaristische sjtetls naar Pruisen. Daar wacht het geluk hen allerminst op. De nieuwkomers stuiten er op burgerprotesten, aangewakkerd door economische rampspoed die om een zondebok vraagt. Een virulent antisemitisme ontwaakt. Om het volk tevreden te stellen maakt kanselier Bismarck in 1880 een einde aan de grootschalige immigratie van Russische joden. De westwaartse trek is echter niet tegen te houden: in 1914 hebben al 2,5 miljoen joden Rusland verlaten.

Mau Hanemann, een van de twee hoofdpersonen in Schumachers boek, wordt in 1899 geboren in zo’n familie van orthodoxe joden die de armoede en de pogroms van Litouwen ontvluchten. Hij groeit in Memel op bij een rijke oom. Na afloop van de Eerste Wereldoorlog krijgt hij van de Franse bezetters van Memel, dat bij Litouwen is gevoegd, een Duits paspoort. Mau vertrekt naar Berlijn, het centrum van het geassimileerde jodendom, en vindt er werk op een bank. De sjtetl van zijn ouders is verder weg dan ooit. Teleurgesteld in de geassimileerde Duitse joden, die in de komst van de Oost-Europese landverhuizers de reden voor het toenemende antisemitisme zien, kiest Mau in 1925, als de kans zich voordoet, weer voor de Litouwse nationaliteit. Als Hitler aan de macht komt, zal onder meer dat paspoort hem redden.

Oliebedrijf

In 1931 vertrekt Mau naar Amsterdam, waar hij directeur wordt van een oliebedrijf. Daar raakt hij in 1939 verliefd op Gerty Kelemen, een negen jaar jongere vluchtelinge uit een geassimileerd joods middenklassegezin uit Wenen. Na de annexatie van Oostenrijk door de nazi’s heeft ze eerst een tijd in Engeland gewoond. Maar het antisemitisme dat ze daar tegenkomt, doet haar naar Amsterdam verhuizen, waar inmiddels veel Duits-joodse vluchtelingen wonen. Ze voelt zich er op haar gemak, al mist ze de bohème van Wenen.

Schumacher beschrijft ook Gerty’s familieachtergrond uitvoerig. Daarnaast behandelt hij de geschiedenis van de Oostenrijkse joden, vanaf de keizertijd tot en met Adolf Eichmann, die een gemene rol bij de onteigening van de Oostenrijkse joden speelt, en laat hij zijn licht schijnen over de moeizame oprichting van een joodse staat in Palestina. Zulke uitstapjes maken van Schumachers boek behalve een aangrijpend familierelaas ook een compacte overzichtsgeschiedenis van de Europese joden in 19de en 20ste eeuw.

De kapstok waar hij al dat boeiends aan ophangt is het verhaal van Mau en Gerty, twee Duitssprekende joden die in de Amsterdamse Beethovenbuurt in het jaar voorafgaand aan 10 mei 1940 een gelukkig bestaan opbouwen. Ze raken er bevriend met buurtgenoten, zoals de Duits-joodse schrijfster Grete Weil en de jurist Abel Herzberg. Als de bezetting een feit is, laten ze hun pasgeboren dochtertje onderduiken. Dankzij Maus verzameling identiteitspapieren, zoals een Paraguayaans paspoort en een Palestinacertificaat, lukt het beiden aanvankelijk om van deportatie vrijgesteld te blijven. Maar uiteindelijk zijn ze toch aan de beurt en belanden ze in Bergen-Belsen. Daar overleven ze op het nippertje, omdat ze aan het einde van de oorlog worden uitgewisseld tegen Duitse krijgsgevangenen.