Hitlers oorkonde

Het is 8 mei en hij zou erbij moeten zijn, samen met zijn vrouw Leentje. Maar hij is er niet. Hij is dood. Leentje is ook dood. Was hij er wel geweest, velen zouden zich in het gedrang naar hem hebben omgedraaid, iets tegen hem hebben gezegd. „Geweldig hè, meneer Hollander?”

Onder zijn hoed zou Han Hollander zijn charmante glimlach hebben getoond en hebben geknikt.

Natuurlijk zou radioverslaggever Hollander de intocht van de Canadezen over de Amstellaan geweldig hebben gevonden. Ook zou Hollander de vele blikken die zijn kant op waren gegaan op prijs hebben gesteld. Iedereen kende hem en de populaire sportcommentator liet zich de aandacht maar wat graag welgevallen.

Maar Han en Leentje Hollander zijn er niet en vrijwel niemand mist ze. In de blijdschap, in de aan hysterie grenzende euforie bij het zien van Canadese tanks gaan de gedachten niet uit naar verdwenen Joden zoals het echtpaar Hollander. Ze gaan uit naar de bevrijders die over de Berlagebrug de stad zijn binnengereden. Gejuich vult de Rivierenbuurt in Amsterdam-Zuid. De mensen schreeuwen en springen; na drie dagen van wachten in een sfeer van angst en hoop zijn de nieuwe machthebbers eindelijk gearriveerd.

8 mei is een mooie dag. Het bleke, vermagerde volk straalt als de lentezon.

Vlak achter de Amstellaan, die later de Churchilllaan zal heten, ligt de Amstelkade. Op nummer 118 woonden Han en Leentje Hollander. Ze hadden er nog steeds kunnen wonen, als ze voorzichtiger waren geweest. Als ze het aanbod van vrienden om onder te duiken hadden aanvaard. Han sloeg alles af: hij had een door Adolf Hitler ondertekende oorkonde in huis, ingelijst en wel. Op de oorkonde werd de toen vijftigjarige AVRO-commentator bedankt voor zijn enthousiaste bijdragen aan de Olympische Spelen van 1936. Hollander had alles tijdens het sportevenement in Berlijn geweldig gevonden. Dat was de nazi’s niet ontgaan.

Zelfs toen de Joden op transport moesten, vanaf juli 1942, waande Han Hollander zich veilig met zijn oorkonde. Zijn naïviteit en zijn status als landelijk bekende commentator van voetbalwedstrijden deden de rest. Hij en Leentje zouden natuurlijk met rust worden gelaten. Toch niet. Een klop op de deur van Amstelkade 118. Nóg leek alles niet verloren. In doorgangskamp Westerbork kreeg Han vanwege zijn roem licht werk als administrateur. Leentje en Han hoefden niet naar de erge kampen in Oost-Europa. Tot Leentje zo onverstandig was een Duitse Jodin te beledigen; Duitse Joden waren vaak betrokken in de kampleiding en dat werd het stel fataal. In 1943 gingen Han en Leentje alsnog de veewagens in, naar het alles verwoestende einde in Sobibor.

Daarom zijn ze er in 1945 niet bij als juichtonen de lucht doen trillen boven de statige, lange huizenblokken van Berlage. De eindeloze colonne achter de Seaforth Highlanders of Canada onder bevel van luitenant-kolonel Bell Irving maakt de mensen gek. Gebruinde koppen van Canadezen verbeelden de toekomst. Amsterdam, gekweld door de hongerwinter, wil vooruit, niet terug. Han Hollander is geschiedenis en op geschiedenis zit niemand nu te wachten.