‘Er bestaat niet zoiets als het ware ik’

Michael Puett (51) geeft colleges over Chinese filosofie die enorm populair zijn. Nee, die gaan niet over boeddhisme of mindfulness. Een zoektocht naar jezelf, brengt je nergens.

‘Fantastic!’, ‘Wow’, ‘Absolutely!’ Michael Puett (51) reageert extreem opgewekt door de telefoon en hij klinkt alsof hij glimlacht aan de andere kant van de lijn. Je zou bijna denken dat hij in hogere sferen verkeert of de leider is van een of andere wees-blij-met-jezelfcultus. Maar hij is hoogleraar Chinese geschiedenis aan Harvard University en doceert op dit moment een van de meest geliefde vakken aldaar: Classical Chinese Ethical and Political Theory.

Puett, die eerst wijsbegeerte en later Chinees en Chinese filosofie studeerde, doceert dit vak sinds 2006. Al in het tweede jaar bleek de kleine collegezaal, tot zijn eigen verbazing, te klein. Studenten zaten op de trap of hingen in de gang om nog iets te kunnen horen. „Ik had verwacht dat misschien vijf, hooguit twintig studenten interesse zouden hebben in dit bijvak. Maar, los van de introductievakken economie en computerwetenschappen, is Chinese filosofie het populairste vak op de universiteit. Ik moet nu lesgeven in het grootste auditorium, daar kunnen zevenhonderd studenten in.”

‘Je ontwikkelt je niet door je terug te trekken uit de wereld en te mediteren’

Dat zijn colleges zo populair zijn, heeft te maken met de leermethode die Puett gebruikt. Hij legt zijn toehoorders niet alleen uit wie denkers als Confucius, Mencius, Zhuang Zi en Lao Zi precies zijn, maar licht ook toe hoe hun wijsheden kunnen worden toepast op het eigen leven. Mede door de waarde die Chinese filosofen hechten aan kleine handelingen en gebaren, bieden zij een ander perspectief op de wereld dan westerse filosofen of boeddhistische leraren. Juist in het alledaagse schuilt de weg naar een goed leven. En dat spreekt veel studenten aan.

Zo ook Christine Gross-Loh, een journaliste werkzaam voor The Wall Street Journal en The Huffington Post, die in 2007 de colleges van Puett volgde en begeesterd raakte. Ze stelde hem voor om zijn kennis om te zetten in een boek. Het resultaat is De Weg; Wat Chinese filosofen ons over het leven leren, waarvan Gross-Loh co-auteur is en inmiddels al is verkocht aan 25 landen. Deze week verschijnt het in Nederland.

Welke boodschap van de Chinese denkers spreekt uw studenten zo aan?

„We willen in het Westen graag geloven dat er zoiets is als het ‘ware ik’. We streven in het leven naar vrijheid door ‘onszelf te vinden’. Dat doen we door op zoek te gaan naar werk of een studie die bij ons past, of door de juiste partner te zoeken. We stippelen een plan uit dat goed is voor onszelf. Maar die opvatting van het ‘zelf’ bestaat niet in de Chinese traditie. Chinese denkers, zoals Confucius of Mencius, stellen dat we niet één homogeen wezen zijn.”

Wat zijn we dan wel?

„We zijn complex en chaotisch. We bestaan uit een soort samenraapsel van tegenstrijdige emoties en neigingen die voortdurend veranderen. Wie ik denk te zijn, en wat ik aanzie voor ‘mijzelf’ wanneer ik besluiten neem, is slechts een reeks gedragspatronen waar ik toevallig in ben terechtgekomen. Het is ironisch. Juist als je toch in dat ‘zelf’ gelooft, kom je niet vooruit.”

Kunt u een voorbeeld noemen?

„Sommige mensen zien zichzelf als een driftig of opvliegend persoon. Ze zeggen tegen zichzelf: ‘Ik ben nu eenmaal zo.’ Maar de Chinese denkers zouden je afraden zo te denken. Zij wijzen erop dat je door een ingesleten gewoonte zo bent geworden en dat je zelf hebt besloten je identiteit hieraan te ontlenen. Je bezit ook het vermogen om vriendelijk of aandachtig te zijn en zou je best nieuwe gedragspatronen kunnen ontwikkelen.”

Hoe kun je dat dan doen?

„Met rituelen. Confucius, die leefde van 551 tot 479 voor Christus, hield zich niet bezig met de grote filosofische kwesties maar stelde de vraag: hoe leef jij van dag tot dag? Bij het eren van de doden bijvoorbeeld moesten familieleden offers brengen aan de voorouders alsof zij er zelf bij aanwezig waren. In een variant van deze traditie wisselden drie generaties van rol. De kleinzoon speelde de rol van de overleden grootvader, de vader speelde de rol van zijn zoon. Zo leerde de vader, via de zoon, om onverwerkte zaken met zijn eigen vader aan te pakken en leerde de zoon met autoriteit om te gaan. Dankzij deze rite werden ze gedwongen nieuwe onderlinge verhoudingen te ontwikkelen. Niet één keer, maar vaker. Als iemand vaker de ander speelt, en voelt hoe het is om de ander te zijn, kan hij die ander beter leren begrijpen.”

Maar dat is een oud ritueel. Hoe kun je zoiets in het dagelijks leven toepassen?

„In de kleinste handelingen schuilt al een ritueel. Hoe je elkaar begroet, wat je zegt als iemand je aan tafel een glas aanreikt. En daarmee kun je jezelf al veranderen. Stel ik ben moe, en onderweg naar mijn werk maak ik me druk om een collega. Ik stap chagrijnig de bus in, maar in plaats van nors te kijken, lach ik naar de buschauffeur. Door die kleine handelingen verander ik al iets in mijzelf en mijn omgeving, het zorgt ervoor dat ik in een andere stemming komt.”

Hoe kun je dat idee van een ‘vaststaand zelf’ nog meer doorbreken?

„Door te besluiten ten volle te leven. Mencius, een geleerde uit de vierde eeuw voor Christus, stelde dat het leven onberekenbaar is. De wereld bestaat niet uit een evenwichtige samenhang, maar is versnipperd en verkeert voortdurend in chaos. Als je dat begrijpt, kun je beslissingen maken die voortkomen uit een complex zelf en inspelen op een complexe wereld.

„We weten best dat niet alles volgens plan verloopt. Toch gaan we ervan uit dat er enige stabiliteit heerst in de wereld. Als je op de universiteit hard je best doet, maak je meer kans op een leuke baan. En als je de liefde van je leven vindt, leef je nog lang en gelukkig. Zo maken we op twee manieren beslissingen. Je hebt de rationele manier, waarbij je met argumenten afweegt of je misschien voor die nieuwe baan in een andere stad moet gaan wonen. Of je maakt een intuïtieve keuze. Zo beslissen mensen bijvoorbeeld waar ze op vakantie willen gaan of zelfs welk huis ze willen kopen. Omdat de wereld onberekenbaar is, zou Mencius beide beslissingsmodellen afkeuren.”

Wat moet je dan wel doen?

„Er is een derde weg. Je kunt proberen om je emoties in te zetten om alle nuances van een situatie te doorgronden. In allerlei situaties kun je je emotionele vermogens bijschaven, zodat ze in de pas gaan lopen met je verstand en je beslissingen kunt nemen die de toekomst openleggen. Als je geliefde met de gedachte speelt om de relatie te verbreken en jij in paniek reageert en het meteen wilt uitpraten, in plaats van alles even te laten betijen, forceer je een uitkomst die te vermijden was. Omdat we vaak een onveranderlijke kijk op onszelf hebben, beperken we ons tot rollen die we in het verleden speelden. Maar in een veranderende wereld moet je leren beslissingen te nemen rekening houdend met een complex zelf.”

Lijkt dat op mindfulness?

„Nee, totaal niet. Mindfulness is gebaseerd op de boeddhistische gedachte dat je moet onthechten en geen oordeel moet vellen, opdat je innerlijke vrede vindt. Maar je ontwikkelt je niet door je terug te trekken uit de wereld en te mediteren. Het vredige gevoel dat je dan eventjes hebt, verdwijnt toch weer zodra je met de buitenwereld in aanraking komt. Door juist naar buiten te kijken en de interactie met jezelf en de ander te verbeteren, kun je als mens verbeteren.”

Waarom hebben we in het Westen nog steeds zo’n vertrouwen in het rationele keuzemodel? En waarom hebben we niet meer aandacht voor Chinese denkers?

„In de negentiende eeuw, met de komst van het Europese imperialisme, ontwikkelde zich een sterke ideologie vanuit het Westen: de nieuwe Europeaan was modern. Als rationeel individu kon hij zelf de nieuwe wereld inrichten. De rest van de wereld was traditioneel en moest worden bevrijd. Men zag China als een traditionele samenleving waar mensen in een soort harmonieuze kosmos geloofden die voorschreef welke maatschappelijke rol ze dienden te vervullen. Dat Chinese filosofen heel anders tegen de wereld aankeken, daar had men geen oog voor. Die imperialistische blik ten aanzien van China is nog steeds dominant.”

Bent u zelf veranderd sinds u de Chinese denkers bestudeert?

„Ja. Enorm. Als ik vroeger over straat liep, zag ik niets, ik was alleen maar druk in mijn hoofd. Dat is nu anders. De dagen dat ik in een half uurtje van mijn huis naar de campus wandel, geniet ik intens van alles om mij heen. Ik kijk naar mensen, merk op hoe het weer verandert, aanschouw de wisseling van de seizoenen. Ik sta open, ook voor nieuwe ontmoetingen. It’s fantastic.”