Een nationaal idee uit de Goelag

Een Britse oud-correspondent laat in een onthullend boek zien hoe het imperialisme van Vladimir Poetin voortkomt uit een vaag idee van een nog vagere denker. En juist dat maakt het nog gevaarlijker.

President Poetin bij de viering van Kosmonautendag in Moskou op 12 april j.l., de dag in 1961 waarop Joeri Gagarin (1934-1968) als eerste Rus de ruimte in ging Foto Alexei Druzhinin/Sputnik, Kremlin Pool Photo via AP, Bewerking Fotodienst Nrc

Poetins nieuwe imperiale missie voor Rusland vond haar begin een kleine eeuw geleden in een obscuur emigrantengezelschap. Vorst Nikolaj Troebetskoj, een eminente taalkundige van oude Russische adel, was na de nederlaag van de contrarevolutionaire Witten naar Sofia gevlucht. De ineenstorting van het Russische keizerrijk en hun als ‘statenlozen’ weinig welkome opvang in Europa frustreerde hem en een groep gelijkgezinden. In plaats van op Europa stelden zij hun hoop op het ‘Euraziatische culturele conglomeraat’, dat vrijwel samenviel met hun verloren rijk. Meer dan een deel van het rationele Westen was het in hun ogen een product van de wilde Mongolen, zoals ook de gewelddadige revolutie weer leek te bevestigen. Sommige ‘Euraziërs’ lieten zich door agenten van Stalins geheime dienst, die zich uitgaven voor hun geestverwanten, in de luren leggen, helemaal toen Stalin zelf ook Russische nationale symbolen ging gebruiken. Troebetskoj trok zich intussen gedesillusioneerd uit de politiek terug.

Dit was niet het einde van het op een combinatie van etniciteit en geografie gebaseerde ‘Eurazianisme’, schrijft de voormalige Moskouse correspondent van The Financial Times Charles Clover, die nu vanuit China bericht, in zijn fascinerende boek Black Wind, White Snow, dat is gebaseerd op een vracht aan literatuur en interviews. Ook de voortzetting ervan maakte op het eerste gezicht weinig kans. Lev Goemiljov, zoon van twee van Ruslands grootste dichters uit het Zilveren Tijdperk, Anna Achmatova en Nikolaj Goemiljov, belandde in de jaren dertig in de Goelag. De veertien jaar strafkamp die hij overleefde waren voor hem een ‘laboratorium’ en doordrongen hem ervan dat de mens geen meester is over de natuur maar andersom en dat de geschiedenis wordt beheerst door het irrationele.

Steppevolken

Vrijgelaten in de jaren vijftig schreef Goemiljov een reeks populaire boeken over de geschiedenis van de steppenvolken. In de geest van de Euraziërs rekende hij de Russen niet tot de Europeanen, ze hadden meer gemeen met de nomadenculturen die hij had bestudeerd. Met een flinke portie dichterlijke vrijheid ontwikkelde hij de ‘theorie van de etnogenese’ waarin hij ‘etnossen’ opvoerde als een soort organismen met hun eigen levenscycli. Rusland plus de omringende steppe zag hij als ‘superetnos’, een natuurlijk rijk. Een bepalende trek daarvan noemde hij passionarnost, ‘gepassioneerdheid’, een biologische impuls die individuen in staat stelt zich op te offeren voor het gemeenschappelijke goed. Daartegenover plaatste hij het individualisme en gebrek aan collectieve moed van de Europeanen.

Niettegenstaande zijn jarenlange opsluiting was Goemiljov ernstig teleurgesteld door het einde van de Sovjet-Unie, dat hij nog net meemaakte. Clover spreekt in dit opzicht van het Stockholm-syndroom. Van de Euraziatische opvattingen leek inmiddels opnieuw weinig terecht te komen.

Maar Clover noemt Black Wind, White Snow een case study van hoe een gedachte, opgeschreven in de Goelag-archipel op vodjes papier, op een dag kan worden verheven tot nationaal idee door de hedendaagse erfgenamen van de toenmalige vervolgers. Als schakel diende opnieuw een figuur die weinig leek te kunnen klaarspelen: de dissidente bohémien Alexander Doegin met zijn hang naar buitenissigheid, zoals het choqueren met Hitler – de grens tussen ironie en ernst moet je bij deze postmodernist maar raden.

In de jaren tachtig trok zijn anti-Sovjetpropaganda nog de aandacht van de geheime dienst, maar ook hij betreurde het ineenstorten van de Sovjet-Unie. In zijn boek De Grondslagen van de Geopolitiek uit 1997 betoogde hij, weer voortbordurend op de Euraziërs, dat het Oost-Westconflict ging tussen het ‘continentale Eurazië’ en de ‘Atlantische zeemacht’ van de Verenigde Staten en de NAVO. Dit vulde hij aan met ideeën ontleend aan Europees Nieuw-Rechts. Het sprak gefrustreerde maar opnieuw aan macht winnende leger- en staatsveiligheidskringen aan, die Rusland op de wereldkaart wilden terugzetten; uit hun midden kwam ook Vladimir Poetin voort.

Marginaal idee

Van een marginaal idee werd het Eurazianisme zo tot een min of meer officiële ideologie. ‘Euraziatische integratie is een kans voor de voormalige Sovjet-Unie om een onafhankelijk centrum van globale ontwikkeling te worden in plaats van de periferie van Europa of Azië’, heeft Poetin gezegd. Hij zette de Euraziatische Unie van voormalige Sovjet-landen op, waar hij ook Oekraïne bij wilde hebben. Toen dat misliep, annexeerde hij de Krim en begon hij met inzet van ‘gepassioneerde’ strijders uit Rusland een hybride oorlog in ‘Nieuw-Rusland’, zoals hij Zuidoost-Oekraïne in navolging van Doegin nu ging noemen. Ook de anti-westerse paranoia met zijn vijfde colonne en nationaal-verraders en de imperiale retoriek passen in dit beeld. In de woorden van de schrijver Vladimir Sorokin: na de Krim-gebeurtenissen ‘brak de grote ijsberg Rusland af van de Europese wereld en dreef weg in onbekende richting’. Maar dit Eurazianisme, voegt Clover hieraan toe, is een ‘vervalsing die het origineel heeft verdrongen – niet omdat het een goede vervalsing is, maar omdat het zo onbeschaamd vals is dat het het echte ondermijnt’.

Vooral in het relaas over de periode vanaf augustus 1991 laat Clover zich makkelijk meeslepen door allerlei complottheorieën, die ergens op kunnen slaan, of niet. Zijn boek heeft onvermijdelijk ook wel iets geconstrueerds. Er loopt natuurlijk geen rechte lijn van Troebetskoj via Goemiljov en Doegin naar Poetin. Voor zulk gedachtengoed waren en zijn er wel meer (door Clover soms ook genoemde) bronnen. Hoe staat het precies met de verhouding tussen het Eurazianisme en Poetins andere uitgangspunt, de Russische Wereld? Of het nationaal-bolsjewisme, de verbintenis van de communistische ideologie met nationalisme en geopolitiek? Bijten die concepten elkaar, lopen ze in elkaar over? Maar zulke opmerkingen maken Black Wind, White Snow niet minder meeslepend, overtuigend en verontrustend.