1 9 7 1 Rock werd de gevestigde orde

1971 luidde het einde van de rebelse rocker in. Popsterren werden societyfiguren en platenbazen gingen heersen.

Frank Zappa thuis in Los Angeles met zijn ouders in 1971. Foto John Olson

De Britse muziekjournalist David Hepworth (1950) kent de bezwaren tegen ‘sleuteljaren’ in de popmuziek. Voor iedereen spreekt de muziek uit het ene, beslissende jaar waarin je 21, 18, 16 of wat dan ook werd meer dan die uit alle andere jaren, schrijft hij in de proloog van 1971. Never A Dull Moment. Rock’s Golden Year. ‘We hebben allemaal dierbare herinneringen aan de zwoelste zomer in onze jonge jaren. De soundtrack daarvan zal voor ons altijd het annus mirabilis van de rock blijven.’

Maar in zijn geval is er één belangrijk verschil, vervolgt Hepworth die al tientallen jaren voor muziektijdschriften als Q en Mojo werkt en in 2010 The Secret History of Entertainment publiceerde: ‘Het verschil is dit: ik heb gelijk.’

De rest van het boek moet zijn gelijk bewijzen. Hiervoor heeft hij gekozen voor een soortgelijke aanpak als Jon Savage, die in zijn boek het jaar 1966 uitroept tot het beslissende jaar in de popmuziek. Aan elke maand van het jaar heeft Hepworth een hoofdstuk gewijd dat telkens eindigt met een playlist . Daarop staan niet alleen de hits uit de betreffende maand. Zo prijkt op die van februari ook het tamelijke onbekende ‘We Gotta Get You A Woman’ van Todd Rundgren.

Uitwaaierende essays

Muziek die in de betreffende maand uitkwam of in de maak was, is aanleiding voor breed uitwaaierende essays vol observaties en terzijdes waarin ook boeken, films, televisieprogramma’s en sociale en politieke ontwikkelingen en gebeurtenissen worden aangestipt.

Zo haalt hij in een passage over Frank Zappa, die tijdens een optreden in Londen in 1971 door een boze toeschouwer van het podium werd geduwd en bijna een doodsmak maakte, de beruchte VPRO-documentaire over hem aan. Hierin had Zappa weinig vragen nodig om uit te weiden over de geneugten van onbeperkte seks met groupies.

In 1971 hanteert Hepworth een brede definitie van rock. Ook zwarte muziek rekent hij ertoe. Zo is april, onder de titel ‘Inner City Blues’, hoofdzakelijk gewijd aan de twee Motownsterren Stevie Wonder en Marvin Gaye en aan Sly Stone, ‘de minst betrouwbare superster uit de geschiedenis van de populaire muziek’.

Uitvoerig vertelt hij hoe Stevie Wonder zich in 1971, net als Marvin Gaye, ontworstelde aan het lopendebandwerk in de hitfabriek van Motown. Hij verhuisde van motortown Detroit naar New York. Hier stond hij op een dag in mei op de stoep bij Malcolm Cecil en Robert Margouleff, twee techneuten die van mellotrons en synthesizers een gigantisch elektronisch muziekinstrument hadden gebouwd, The New Timbral Orchestra (TONTO). Met TONTO, dat leek op het interieur van een ruimteschip, maakte Wonder later in de jaren zeventig zijn reeks meesterwerken.

De belangrijkste reden om 1971 tot het gouden jaar van de rock uit te roepen is natuurlijk de muziek. Onder anderen Carole King, Led Zeppelin, The Who, George Harrison, Rod Stewart, David Bowie maakten toen muziek die langdurig invloedrijk zou blijken, betoogt Hepworth, ‘Baby O’ Reilly van The Who beschouwt hij als een ‘een scharnierpunt tussen wat was geweest en wat komen ging’. En hoewel Sly Stone’s There’s A Riot Goin’ On volgens hem nauwelijks meer is dan een verzameling incoherente demo’s, bepaalde die elpee de toekomst van de zwarte muziek.

De brievenbusfirma

Hepworth geeft ook buitenmuzikale – en eigenlijk betere – redenen om het jaar waarin hij 21 werd tot sleuteljaar te bestempelen. In 1971 werd de popmuziek een echte ‘industrie’, met platenbazen, producers en in financiële zaken geïnteresseerde muzikanten. Veel woorden wijdt hij aan de vlucht van de Rolling Stones voor de Britse belastingdienst naar Zuid-Frankrijk en de vestiging van hun brievenbusfirma in Nederland. In 1971 werd Mick Jagger in de eerste plaats een zakenman en de Stones een bedrijf.

Ook het huwelijk van Mick Jagger met Bianca Pérez-Mora Macias stond in 1971 voor meer. Jagger liet een groot gezelschap collega-muzikanten, onder wie John Lennon, naar Saint-Tropez overvliegen voor een rock-‘n-rollfeest. Het liep uit op een puinhoop waarover Hepworth veel mooie anekdotes geeft. Zo mocht Stones-gitarist Keith Richards later graag vertellen dat hij in naziuniform optrad als getuige bij de huwelijksplechtigheid. Als dat zo was, dan is het niet opgemerkt door een van de talrijke journalisten die verslag deden van het festijn, merkt Hepworth op. Hoe dan ook, Jaggers huwelijk werden de Stones societyfiguren en traden ze toe tot het establishment. Zo markeerde de emigratie van de Stones volgens Hepworth ook het einde van rock als rebelse undergroundmuziek.

In 1971 begon ook de canonisering van de popmuziek. Tot dan telde alleen het heden, aan terugkijken deden rockers niet. Maar toen George Harrison een benefietconcert organiseerde voor het hongerende Bangladesh, werd de vraag of The Beatles, die waren ontbonden en sinds 1966 niet meer hadden opgetreden, weer samen op het podium zouden staan. Van de eerste reünie in de popgeschiedenis kwam het niet, maar wel speelde Harrison op 1 augustus 1971 in Madison Square Garden in New York voor het eerst Beatlesnummers die niet werden overstemd door gillende meisjes maar beluisterd door een aandachtig publiek, bijna alsof het klassieke muziek was. In 1971 was rock een serieuze zaak geworden.