brieven

Blijf van de maatjes af

Het betoog van Margo Trappenburg (O&D, 1 mei) stelt terecht de kwestie aan de orde dat de participatiesamenleving geen onafwendbare ontwikkeling is. Het is niet veel anders dan neoliberale powerplay. Een symbolisch begin werd gemarkeerd toen Rutte zei dat de geluksmachine uit moest. Trappenburgs ‘zeg eens nee tegen de vraag om de handen uit de mouwen te steken’ heeft echter wel een wat naïeve klank. Zij doet alsof zij niet weet dat veel burgers sindsdien zwaar onder allerlei vormen van geïnstitutionaliseerde druk zijn komen te staan om te participeren. Deze burgers maken er het beste dan maar van en proberen te redden wat er te redden valt. Zouden zij het redden met alleen nee zeggen? Kom nou!

Daarnaast hebben bepaalde vormen die Trappenburg noemt als voorbeelden van nieuwe participatie, sociaal en maatschappelijk soms een nadrukkelijke toegevoegde humanitaire waarde. Ik denk dan met name aan de door haar genoemde maatjesprojecten. Die richten zich bij voorkeur op mensen uit heel kwetsbare doelgroepen die – precies daardoor – een minimaal sociaal en familiair netwerk hebben. Maatjesprojecten vullen dat laatste op enigerlei wijze aan en behoren buiten de sfeer en de verantwoordelijkheden van de professionals te blijven vallen. Maatjes bouwen een persoonlijke band op en praten over van alles en nog wat, delen interesses en gaan er soms ook op uit om lekker ergens een kopje koffie te drinken.

RE: Lofzang Kapitalisme

Het ging mis met bezit

In Opinie van 28 april geeft Frank Boll te kennen dat de kapitalistische markteconomie voor hem een normatief uitgangspunt is waaraan niet getornd mag worden. Hij verlangt erkenning van de unieke bijdrage van eigendomsrechten, rechtsstaat en vrije markt aan de ontwikkeling van de mensheid. Bolls conclusie mag er zijn: ‘Wie niet gelooft in de markt, gelooft niet in de mens’. Wat een naïviteit. En wat een denunciatie van de kritiek. Begint Marx in het Communistisch Manifest van 1848 niet met de verdiensten van het kapitalisme breed uit te meten: „De bourgeoisie heeft in haar nauwelijks honderd jaar oude klassenheerschappij massaler en kolossaler productiekrachten geschapen dan alle voorgaande generaties tezamen.” De toegenomen productiekracht zal botsen op de productieverhoudingen en de maatschappij ontwrichten, zo voegt hij eraan toe.

Wat bij Marx uitgangspunt van zijn verdere betoog is, blijkt voor Boll het normatieve sluitstuk. Aber die Verhältnisse sind nicht so. De Sterke Overheid wordt door de mondialisering van de economie ondermijnd. De Vrucht van de Arbeid gaat teniet door internationale loonconcurrentie, door flexibilisering van de arbeid. Bovenal mist Boll de kern van de kritiek, namelijk dat ‘de’ concurrentie in zijn tegendeel is komen te verkeren. Locke, Adam Smith en Bentham formuleerden ‘the magnificent formulae in which a society of farmers, merchants and master-craftsman enshrined its philosophy of freedom’, aldus de economisch historicus Richard Tawney in The Acquisitive Society (1920). Maar aan het einde van de 19de eeuw raakten eigendom en arbeid ontkoppeld. Honger en angst disciplineerden arbeiders in de opkomende industrie, terwijl zakencoalities de vrije markt tot een farce maakten. Tawney signaleerde dat in toenemende mate inkomsten werden geclaimd op basis van eigendomsrechten, zonder dat daarvoor een prestatie werd geleverd. Zijn conclusie: de economie wordt overheerst door een ‘tirannie van functieloos eigendom’.

Het hart van de sociaal-democratie