Tien minuten genieten van de pijn

De Giro d’Italia begint met een individuele tijdrit in Apeldoorn. De kunst van zo’n proloog? Wetenschap combineren met wilskracht.

(vlnr) Jelle Nijdam, Ronde van Nederland, 1990 / Thomas Dekker, Eneco Tour, 2007 / Tom Dumoulin, Ronde van Romandë, 2016

Bij de beste tijdrijders ter wereld ziet het er zo makkelijk uit. Ze liggen voorovergebogen met hun ellebogen dicht naast elkaar in hun aerodynamische stuurtje, duwen de punt van hun futuristische helm in hun nek en krommen hun rug als een kat die zich een ongeluk schrikt. Die houding levert hun volgens de windtunnels de minste luchtweerstand op. En naast heel hard trappen en goed sturen is dat waar het om draait bij een proloog zoals die van vrijdag, als de Giro d’Italia van start gaat in Apeldoorn.

Het moet de race worden van Tom Dumoulin, tijdritspecialist, proloog of langer, bergop of -af. Als hij afrekent met zijn 200 tegenstanders, daarbij ook die andere specialist Fabian Cancellara, mag hij zaterdag voor het eerst sinds Pieter Weening in 2011 als Nederlander in de roze leiderstrui van de Giro fietsen. En dat door eigen land, want de route voert door Gelderland van Arnhem naar Nijmegen en op zondag andersom.

Het zou een zegetocht kunnen worden, zoals vorig jaar ook werd voorspeld, toen Dumoulin in heksenketel Utrecht de gele trui in de Tour de France zou pakken en ermee naar Neeltje Jans in Zeeland zou rijden. Het mislukte. Dumoulin kwam acht seconden tekort, reed evengoed een daverende tijdrit, maar het eerste geel ging naar de Australiër Rohan Dennis. Een domper waarmee hij kan afrekenen in een jaar waarin de olympische tijdrit van Rio de Janeiro centraal staat.

Maar een proloog rijden valt niet mee, ook niet voor de man die in actie samen lijkt te smelten met het frame.

Zijn billen en heupen doen pedalen als heipalen op en neer bewegen. Ook Dumoulin lijdt, al duurt de rit maar tien, elf minuten.

Oud-wielrenner Jelle Nijdam weet er alles van. Zonder ook maar de geringste warming-up was hij op 1 juli 1987 begonnen aan zijn proloog over 6,1 kilometer in West-Berlijn, startplaats van de Tour de France dat jaar.

De ploegarts van de Superconfex-Yoko-ploeg had hem op het hart gedrukt geen energie te verspillen voor hij van het startpodium zou rijden.

De proloog was zijn specialiteit gebleken en hier zou hij zijn grootste triomf tot dan toe kunnen behalen – etappewinst in de Tour, de gele trui bovendien. De arts van dienst had het onderzocht: met koude spieren starten en zich dan het snot voor de ogen fietsen zou resulteren in een beste kans op de dagzege. En zo geschiedde.

Bijtend melkzuur

„Man, die eerste kilometer deed zo vreselijk zeer”, zegt Nijdam bijna dertig jaar later alsof hij de pijn van bijtend melkzuur nog kan voelen. „Die dokter was natuurlijk een beetje bleu. De voorbereiding stond nog in de kinderschoenen.”

Maar Nijdam ramde door de verzuring heen en raasde met een gemiddelde snelheid van bijna vijftig kilometer per uur over de Kurfürstendamm naar de finish. De gele trui was zijn deel en de arts kreeg gelijk, maar Nijdam gebruikte de tactiek nooit meer. „De eerste kilometers van een proloog moet je het gevoel hebben dat je vliegt, dat je de wereld aan kan. Ik proefde bloed na drie kilometer.”

Een proloog rijden is inmiddels pure wetenschap geworden. Neem het protocol van Giant-Alpecin, de ploeg van Tom Dumoulin. Dat schrijft een warming-up voor van „ongeveer 23 minuten”, zegt bewegingswetenschapper Teun van Erp, in dienst bij de Duitse formatie.

Er staat ook in wat een renner drie uur voor de start tot na de finish aan energie tot zich moet nemen, dat hij zich moet koelen met een koelvest als het buiten twintig graden is en een slush puppie moet drinken als het nog eens vijf graden warmer is. Dat proces heet pre-cooling en gaat ervan uit dat een te hoge lichaamstemperatuur tot prestatieverlies leidt.

Bakkerssoda tegen het zuur

Er zijn renners – niet bij Giant – die vrijdag van start gaan met tientallen capsules bicarbonaat achter de kiezen, bakkerssoda in culinaire kringen. Het zou het melkzuur op afstand houden. Ook Dumoulin heeft het geprobeerd, zegt Van Erp, maar vond het niets. Jos van Emden, renner van LottoNL-Jumbo en vorig jaar in Utrecht slechts zeven seconden langzamer dan Dumoulin, „ging ervan aan de schijt.”

Voor Dumoulin is de vermogensmeter voor op zijn stuur het belangrijkst. Het apparaatje zegt hem tijdens de proloog hoeveel druk in watt hij levert op zijn pedalen. Er is een waarde – die blijft geheim – waar hij niet te ver van mag afwijken, want dat zal hem tijd kosten, of hij nu te rustig fietst of te hard van stapel loopt.

„Overanalyseren”, vindt Erik Breukink dat, winnaar van de proloog in de Tour van 1989. „Je weet dat alles zeer gaat doen, je longen, je benen. Een zenuwentoestand vond ik het.”

Hoe dan ook zal Tom Dumoulin vrijdag in de namiddag op het startpodium in Apeldoorn staan in de wetenschap dat hij voor de tweede keer binnen een jaar kans heeft op glorie in eigen land.

Er zal worden afgeteld van vijf naar nul. Dan is het aanzetten, zo snel mogelijk in de aerodynamische houding zitten, het lichaam klein maken, zoekend naar ritme en consolidatie van het tempo.

Thomas Dekker, vorig jaar gestopt met wielrennen: „En dan genieten van de pijn, pijn waarvan je weet dat je die aankunt tot de finish.”