Boeken

Opinie: Schrijf tussen het verbeelden door af en toe autofictie

Vijftien jaar geleden begon schrijver Ernst Timmer beducht te raken voor het steeds populairder wordend autobiografisch genre. Het succes met zijn recente (non-) fictieboek leert hem dat een schrijver baat kan hebben bij het genre.

Jaren geleden ben ik eens met een paar andere schrijvers uitgenodigd om in Paradiso een voordracht te houden over de apocalyps. Die uitnodiging nam ik graag aan, want wie wil zich nou niet eens verbeelden de regisseur te zijn van het einde der tijden?

Ik schetste het volgende scenario voor het einde van de literatuur. Die zou ten onder gaan aan de ziektes voskulose en palmuenza. Ik bedoelde daarmee niets ten nadele van de schrijvers J.J. Voskuil en Connie Palmen (ik beleef zo veel mogelijk plezier aan het lezen van hun boeken), maar ik begon beducht te raken voor de populariteit van het genre dat zij beoefenden: het minutieus opschrijven van alledaagse belevenissen en het vertellen van autobiografische verhalen. Dit type literatuur zou de norm worden, zo voorspelde ik, en deze norm zou de literaire verbeelding volledig verdringen.

Details

Nu, jaren later, is er rond mijn novelle De val van mijn moeder een gedachtewisseling ontstaan, of, zo je wilt, een ‘Kwestie’. En ik vind mijzelf terug aan de verkeerde kant van de streep. Toef Jaeger vindt mijn boek ‘een minutieuze beschrijving van het aftakelingsproces’ en concludeert: met zoveel details heb je geen inbeelding meer nodig.

En twee weken later schrijft Aleid Truijens in de Volkskrant dat ik niet kan kiezen tussen fictie en non-fictie, en ze roept een nieuwe literaire categorie in het leven: (non-)fictie. Volgens Truijens had ik er een non-fictieboek van moeten maken, compleet met verantwoording en notenapparaat. En het verdrietigst van alles: mijn trouwe bewonderaar Koen Eykhout stelt in Dagblad De Limburger vertwijfeld vast dat Timmer ‘nu blijkbaar ook al gevallen is voor de roep van het ‘waargebeurde”.

Ik zou graag over de streep stappen en me scharen aan de zijde van deze bezorgde critici. Want de doem die ik vijftien jaar geleden uitsprak heeft zich ten dele voltrokken: je hoeft de bestsellerlijsten van de laatste jaren er maar bij te pakken en je ziet dat de literaire verbeelding er bekaaid vanaf komt. Zoals mijn uitgever tijdens het laatste Boekenbal onomwonden zei: een boek verkoopt als het ontboezemingen bevat van of over een bekende Nederlander. Het summum op dit gebied is natuurlijk het boek van een bekende Nederlander over een bekende Nederlander: As in tas van de sympathieke Jelle Brandt Corstius over zijn niet zo sympathieke vader. Mooi boek trouwens, Hugo zou het trefzekere proza van zijn zoon zeker gewaardeerd hebben.

Glazen plafond

Een ander deel van mijn voorspelling is niet uitgekomen. De literaire verbeelding heeft zich niet volledig laten verdringen. Er bloeien nog steeds duizend bloemen in de tuin van de literaire verbeelding. Veel boeken worden welwillend besproken en dingen mee naar literaire prijzen. Ze verkopen meestal niet zo goed en de schrijvers ervan blijven onbekend bij het publiek. Alleen schrijvers met naamsbekendheid kunnen hun literaire fictie met succes aan de man brengen.

Er is een glazen plafond tussen bekende fictieschrijvers en onbekende fictieschrijvers. De onbekende schrijver staat voor de uitdaging dat plafond met een bijl te bewerken. Niets voor mij, al dat misbaar. Mijn boeken zijn welwillend besproken, stonden op longlists en tiplijsten, en verkochten slecht.

Ik zal dit blijven doen, maar vier jaar geleden overkwam mij een fenomeen dat men wel gefundenes Fressen noemt: ik maakte iets mee waar ik onmiddellijk een literair verhaal in zag. Ik was bezig met een boek en ik wilde dat verhaal mijn roman binnenloodsen. Ik begon het op te schrijven en ontdekte dat het verhaal op eigen benen kon staan. Dit werd de novelle Florijn (2013).

Ik was besmet met palmuenza. En een jaar geleden brak mijn moeder haar arm. We beleefden rare dingen in het ziekenhuis en ik besloot minutieus op te schrijven wat daar gebeurde: een goed gedocumenteerde klacht is beter dan een vage klacht. Die klacht evolueerde tot een nieuw boek: De val van mijn moeder. Dat was mijn besmetting met voskulose.

Medicijn

Nu dreigt mijzelf te overkomen wat ik indertijd de hele literaire wereld heb aangezegd: het minutieus opgeschreven autobiografische verhaal verleidt me om de literaire verbeelding vaarwel te zeggen. Maar ik weersta de bezoeking. Mijn volgende roman zal onversneden fictie zijn.

Want dit is het goede nieuws: zoals de penicilline per ongeluk is uitgevonden, zo heb ik misschien ook per ongeluk het medicijn ontdekt tegen voskulose en palmuenza. Florijn verkocht al beter dan de romans die ik daarvóór had geschreven, De val van mijn moeder bestormt nu zelfs de hitlijsten. Ze helpen me misschien bij het bewerken van het glazen plafond. Naamsbekendheid is nodig om literaire fictie aan de vrouw te brengen.

Het medicijn heet timprozac: schrijf tussen het verbeelden door af en toe eens een boekje over je eigen leven. Maar doe dat wel goed! Want daar zijn mijn critici het gelukkig over eens: ik ga voor de bijl, ik ben gevallen voor de (non-) fictie, maar wel met een fijn geslepen pen.

Ernst Timmer is schrijver.