Column

‘Moffenhoeren’

Ton Bernsen wilde vele jaren later zijn excuses aanbieden aan een vrouw die als ‘moffenhoer’ bij de Bevrijding werd bestolen en kaalgeknipt, onder anderen door zijn eigen moeder. Hij vertelde erover in een interview van Anne Vegterlo in deze krant. Zijn verhaal maakt indruk, omdat zulke spijtbetuigingen zelden of nooit zullen zijn voorgekomen.

Dat de betrokken vrouw niettemin afwijzend („Ze wilde er verder niet meer over praten”) op zijn voorstel reageerde, kon ik me wel voorstellen. Plotseling werd ze geconfronteerd met een traumatische ervaring die ze misschien net goeddeels verdrongen had. En Bernsen probeerde het niet één keer; na zijn brief die zij ongelezen retourneerde, belde hij haar ook nog eens op. Zijn geweten begon toen niet alleen voor hemzelf, maar ook voor die ander een last te worden.

In het Nederlands Volksbuurtmuseum in Utrecht loopt een tentoonstelling waarop een groot aantal foto’s van de kaalknippraktijken te zien is. Ik zal er niet heengaan, want ik heb in de loop van de jaren al te veel van dergelijke foto’s gezien. Hoewel er geen keihard geweld op te zien is, zijn ze weerzinwekkender dan veel oorlogsfoto’s mét geweld. Eén zo’n foto herinner ik me nog goed: een door mannen omstuwde vrouw met het bord ‘moffenhoer’ om haar nek.

Wat op zulke foto’s vooral zo shockeert is het uitgelaten triomfalisme op de gezichten van de omstanders, vaak mannen. Het is alsof ze hiernaar lang hebben uitgekeken: het kaalknippen en met teer bekladden van een weerloze vrouw die ze joelend omringen.

Wat bezielde hen? Seksuele jaloezie omdat zij bij deze vrouwen geen kans hadden gekregen? Platte wraakzucht jegens mensen die het materieel door hun collaboratie wat beter hadden gehad? Of was het een uit de hand gelopen feestroes, te vergelijken met die van supporters die een kampioenschap gewelddadig vieren? Vermoedelijk was het van alles wát.

Op de website www.gekniptvoordevijand.nl is een aantal verhalen van omstanders te lezen. Ze zijn niet zo berouwvol als Bernsen, maar je kunt wel merken dat sommigen spijt, of op z’n minst gemengde gevoelens, hebben over de gebeurtenissen waar ze bij aanwezig waren. Ze hebben gezien hoe vrouwen voor de ogen van hun kinderen werden besmeurd, hoe meisjes op een kar gedwongen werden in de spiegel naar hun kaalgeknipte hoofd te kijken terwijl hun vader huilend toekeek. „Vreselijk, ik word er nog emotioneel van”, schrijft een vrouw.

Waarom deden ze doorgaans niks om het te verhinderen? Het is gemakkelijker gevraagd dan (destijds) gedaan. „Ik dacht er niet aan om in te grijpen op dat moment”, zegt John Janse uit Culemborg, „nee, nee, geen seconde. Het gebeurde voor mijn ogen, iedereen deed mee, wat kon ik doen?”

Slechts een enkeling durft nog uit te komen voor de voldoening die de wraak hem gaf. „Ik vond het prachtig, ik heb ervan genoten”, zegt mevrouw Van M., omstander bij de Voorstraat in Utrecht, „ik had mijn broer verloren, ik had die vijf oorlogsjaren zoveel meegemaakt. Ik had gewoon een hekel aan iedereen die met de Duitsers geheuld had.”

„Zulke dingen kunnen steeds weer gebeuren”, zegt de 80-jarige mevrouw De Beer uit Bussum, „waakzaamheid zal altijd nodig zijn.” Zij zag hoe twee meisjes, de handen op de rug gebonden, werden gekortwiekt en met pek ingesmeerd.

In dat brave Bussum.