Herdenken wat niemand zich herinnert

De Tweede Wereldoorlog ligt een mensenleven achter ons. Het duurt niet lang meer of alle ooggetuigen zijn overleden. Wat betekent dat voor het herdenken?

Lotty Huffener-Veffer, overlevende van Auschwitz, en Jules Schelvis, overlevende van zeven concentratrie- en vernietigingskampen, in 2007. Foto Jerry Lampen / ANP

Johannes Houwink ten Cate, hoogleraar holocaust- en genocidestudies, gaf eens college samen met Jules Schelvis, overlevende van verschillende vernietigingskampen. Hij vertelde zijn studenten over de film Schindler’s List, waar een scène over de ontruiming van een Joods getto in voorkomt. „De film laat het een kwartier lang zien – best lang voor een film, zeg ik tegen de studenten. In de pauze komt Jules bij me staan en hij zegt met een uitgestreken gezicht: ‘Weet je Johannes, in het echt duurde het nóg langer.’”

Ooggetuigen, wil Houwink ten Cate maar zeggen, hebben een unieke betekenis. Voor de geschiedschrijving, die zij nuanceren. En voor de herdenking, die zij met hun persoonlijke verhaal kracht bijzetten.

Jules Schelvis was getuige geweest van de ontruiming van het getto van Radom in Polen, vandaar. Hij had Sobibor én Auschwitz/Birkenau overleefd en wierp zich na zijn pensionering in de jaren 80 op de bestudering van vernietigingskamp Sobibor. Hij trad als overlevende naar buiten met zijn kennis en zijn getuigenis. Hij gaf colleges, sprak voor schoolklassen, ging mee op reis naar concentratiekampen. Hij stierf een maand geleden, 95 jaar oud. Met zijn dood verstomde een van de prominente stemmen uit de jodenvervolging.

De vijf jaren van de Duitse bezetting liggen inmiddels 71 tot 76 jaar achter ons. Een mensenleven, letterlijk. En dat betekent dat het niet lang meer zal duren eer de ooggetuigen van de oorlog, van de bezetting, van het verzet, van de vervolging, allemaal gestorven zijn. De vraag is: wat betekent dat voor de geschiedschrijving en voor de herdenking van de Tweede Wereldoorlog?

Monumentale eerlijkheid

Over het eerste is Houwink Ten Cate helder: sommige getuigen zijn voor de historicus een „onmisbare bron”. Hij noemt Lodewijk F. Asscher, grootvader van de minister, jaren geleden overleden. „ Zijn monumentale eerlijkheid én het feit dat hij als Jood lang in bezet Amsterdam is gebleven, maakten van hem een ongewoon goede getuige. Hij is voor mij onvervangbaar.”

Ad van Liempt, bedenker van tv-programma Andere Tijden en een van de productiefste schrijvers over de Tweede Wereldoorlog, begint aan de telefoon meteen over Jules Schelvis. „In Nederland is er veel discussie geweest over de vraag of Joden nu wel of niet wisten wat hun te wachten stond als ze werden gedeporteerd.”

Schelvis vertelde Van Liempt dat hij zijn gitaar meenam toen hij op de trein naar Sobibor werd gezet. „Hij zei: ‘We wisten wel dat het daar niet prettig zou zijn, dat het er saai zou zijn.’ Maar ze waren jong en sterk en ze dachten dat ze niet dood zouden gaan van hard werken en dat ze toch ook wel ’s avonds bij een kampvuur muziek konden maken.”

Van Liempt heeft sindsdien nooit meer getwijfeld. „De getuigenis van Schelvis, zo’n slimme man, die zo’n overtuigend, eerlijk antwoord gaf, heeft voor mij voorgoed een einde gemaakt aan elke discussie daarover.”

Alle auf Marsch

Eens per jaar verzamelen zich zo’n 35 jonge mensen, meest studenten, in de huiskamer van Frieda Menco. Ze hebben dan al een paar blaadjes gelezen waarop Frieda’s oorlogsverhaal staat geschreven.

Ze was negentien jaar oud toen ze, op 3 september 1944, op de laatste trein werd gezet die Joden van Westerbork naar Auschwitz vervoerde. Drie dagen in de trein. In het vernietigingskamp kreeg ze achter elkaar vier zware ziektes. Dat heeft haar het leven gered, vertelt ze.

Toen de Duitsers het kamp wilden ontruimen om aan het oprukkende Rode Leger te ontkomen, moesten alle gevangenen mee naar het westen. Een bewaker kwam de barak in en riep: „Alle auf Marsch. Jeder der zurück bleibt wird erschossen.” Frieda probeerde van haar ziekbed op te staan, maar ze viel direct flauw. Zij en haar moeder bleven met nog zo’n 8.000 lotgenoten achter. Ze werden niet doodgeschoten en uiteindelijk bevrijd door de Russen.

In de huiskamer barsten de bezoekers uit in een reeks vragen. Zo gaat het een jaar of vijftien, sinds het moment dat de internationale mensenrechtenorganisatie Humanity in Action het Frieda Menco vroeg.

Met haar man, die ook in Auschwitz had gezeten, sprak ze na de oorlog nooit over het kamp, zegt Menco. „Op 4 mei ging hij met zijn rug naar ons toe staan, staarde uit het raam en als de kinderen wat zeiden, gromde hij alleen maar.” Naar het kamp vroegen de kinderen nooit.

In 1968, tijdens een congres in Israël, werd Frieda Menco gevraagd een toespraak te houden na de vrijdagse lunch voor de sjabbat. Ze sprak voor een paar honderd mensen – „ik weet niet eens meer wat ik precies heb gezegd” – en na afloop kwamen er tientallen op haar af om haar te bedanken. Sindsdien heeft ze het „ontelbare keren” in het openbaar verteld.

Ze doet het niet voor zichzelf, zegt ze. „Ik doe het voor de mensen die het niet meer kunnen navertellen.” Ze zou het geen twee dagen na elkaar kunnen doen, zo uitputtend is het. Maar de jongeren zeggen altijd dat ze veel meer onthouden van wat Menco vertelt dan van wat ze zelf gelezen hebben.

Dat is de zeggingskracht van getuigen, zegt Christophe Busch, nu algemeen directeur van museum Kazerne Dossin in Mechelen, zeg maar het Belgische Westerbork. In het museum, dat eind 2012 openging toont Busch „de mechanismen die tot genocide leiden”.

Hij legt uit dat er ruwweg vier bezoekersvoorkeuren zijn. Bezoekers die je vooral veel teksten moet geven omdat ze ideeën en analyse zoeken. Mensen die objecten verwachten te zien, voor de authentieke ervaring. Mensen die een fysieke ervaring zoeken, die als het ware het verleden willen ondergaan. En mensen met een people preference, die het liefst de geschiedenis beleven door persoonlijke verhalen. Voor de laatste groep zijn er de video walls, waarop steeds dezelfde vijf getuigen hun verhaal brengen.

Ook Busch haalt Jules Schelvis aan om het belang van getuigen te illustreren. Ze stonden samen tussen de resten van vernietigingskamp Treblinka en spraken over daders, slachtoffers en omstanders. „Die categorisering, zei Jules, dat zegt niet alles. Ik heb slachtoffers extreme dingen zien doen om hun huid te redden, en ik heb daders dingen zien doen die mensen hebben gered. Het drama van de Holocaust is een drukvat en niemand kan voorspellen hoe mensen reageren onder druk.”

Eerlijke getuigen als Schelvis, zegt Busch, helpen ons onze stereotypen te relativeren. „Je kunt dit ook zien als een teken van hoop – al klinkt dat misschien iets te licht in dit verband. Wat ik bedoel is dat je mensen kunt beïnvloeden bij hun keuzes. Oei, zullen mensen zeggen, je vergoelijkt toch geen daders? Neen, maar als je beter begrijpt, kun je ook beter interveniëren.”

De vraag wat het verlies van ooggetuigen betekent voor de herdenking van de oorlog kan Houwink ten Cate niet beantwoorden, zegt hij. „Het historisch zelfbeeld – de essentie van herdenken – is een product van de nationale identiteit. We weten dus niet hoe herdenkingen er over twintig jaar zullen uitzien.”

Hij, Busch en Van Liempt wijzen erop dat de rol van slachtoffers in de Nederlandse herdenkingscultuur altijd onbeholpen is geweest. Houwink ten Cate: „Bij onze herdenkingen zijn sowieso bijna geen herkenbare slachtoffers te zien. Nederlandse herdenkingen hebben een haast sociaal-realistische structuur. Ze gaan meer over ‘samen op weg naar de toekomst’ dan over een welbepaald verleden.”

Herdenkingsculturen

Busch ziet dat België op de grens van twee herdenkingsculturen ligt. In de Angelsaksische traditie, waar de meeste Vlamingen en Nederlanders toe behoren, neigen mensen meer naar analyse en uitleg om tot inzicht te komen. In de Romaanse cultuur, de Walen, de Fransen, zoeken meer de empathie. „Die kun je de verhalen laten horen en als ze zijn uitverteld, zeggen: nu weet je hoe het zit. Herdenkingen met Waalse schoolklassen eindigen altijd met een kranslegging.”

Ad van Liempt relativeert het in de vraagstelling besloten probleem. „Het verschil tussen vandaag de dag, nu er nog vele ooggetuigen in leven zijn, of over 25 jaar, als je toch mag aannemen dat er niemand meer leeft die de bezetting en de vervolging met eigen ogen en bewust heeft meegemaakt – dat verschil is niet zo groot. Nu leeft ook al niemand meer die destijds een verantwoordelijke positie innam: de burgemeesters, de leiders van het verzet, de belangrijke NSB’ers, de mannen van de Joodse Raad. Zij zijn allemaal dood. Het is dus vreemd om nu te zeggen dat we zonder ooggetuigen anders naar de oorlog of de herdenking ervan zouden moeten kijken.”

Houwink ten Cate zegt: „Toen de overlevende ooggetuigen nog onder ons waren, wilden we niet naar ze luisteren. En nu ze er niet meer zijn, treuren we ze na.” Het omslagpunt, zegt hij, lag rond 1970, toen begonnen de slachtoffers meer te vertellen en het publiek meer te luisteren.

En nu gaan we weer een nieuwe tijd in, zegt Van Liempt. Hij herinnert aan de 4 mei-lezing die schrijfster Jessica Durlacher in 2001 hield. „Ze zei daar dat de fictie de herinnering binnen denderde. En zo is het ook. Denk aan De Welwillenden van Jonathan Littell – prachtige kunst en prachtige geschiedenis.”