Zo maak je mij niet monddood

Ik ben opgejaagd wild, schrijft Ebru Umar die Turkije niet uit mag. „Ik kan maar op één manier handelen: de confrontatie.”

illustratie Ruben L. Oppenheimer

De advocaat die mij verdedigt doet iedereen in Kusadasi goedkeurend knikken: wow, dat is de beste. Ikzelf verwacht niet anders, ik ben gewend dat alles in mijn leven voldoet aan de hoogste eisen, middelmaat is niet aan mij besteed. En dat ik daarmee bevoorrecht ben, zal ik nooit ontkennen; laat niemand zeggen dat ik mijn leven niet waardeerde.

Maar in mijn hele leven heb ik niet vaak behoefte gehad aan een advocaat; behalve dan toen een aannemer dacht mij als pinautomaat te kunnen gebruiken. Of toen iemand me, na de moord op Theo van Gogh, 20 mille afhandig maakte. Opgelicht worden terwijl je in een depressie zit: het kan de beste overkomen.

En dan nu dit. Landarrest. Vrijheidsberoving.

Mijn telefoon wordt afgeluisterd, ik zit in een verkeerde film

Het druist in tegen alles wat ik gewend ben, wat ik ken en waar ik voor sta. En het maakt mij nóg duidelijker dat ik een Nederlander ben – iets waar ik nooit één seconde in mijn leven aan getwijfeld heb. Geen volk eigenwijzer, zelfstandiger en onafhankelijker dan het Nederlandse.

Mijn arrestatie verliep dan misschien keurig volgens het Turkse boekje, dat er een hoofdstuk in dat boek bijgeschreven gaat worden „hoe om te gaan met een Nederlander”, is evident. Er lopen in Kusadasi minstens dertig, zo niet veertig agenten rond die zich mijn houding tot in lengte der dagen zullen herinneren. Een vrouw die niet geïntimideerd raakt als agenten haar midden in de nacht komen ophalen en haar vasthouden zonder enige vorm van informatie te geven, die niets anders doet dan bellen en zonder terughoudendheid (=respect!) vragen stelt, en die ook na een nacht en dag detentie, na rond gesleept te zijn tussen drie locaties, denkt: ‘ik krijg jou nog wel’. Een vrouw die ondanks alles sympathie opwekt, respect afdwingt zo je wilt.

In mijn leven is er geen plaats voor mooiweerscenario’s. Ik ben een vrouw alleen, ik ben gewend om álles alleen te doen en ik zal nooit zomaar rekenen op hulp van een ander – tenzij ik erom vraag en in de meeste gevallen ervoor betaal. Mijn zelfstandigheid is mijn grootste kracht én zwakte. Dus als ik in Turkije door twee agenten van mijn bed word gelicht, besef ik onmiddellijk dat me alles kan overkomen. Wie herinnert zich niet met hoeveel geweld agenten bij de Gezi-opstanden optraden tegen demonstranten? Dat vrouwen verkracht worden op politiebureaus is geen broodje aap. En dat ik alleen leef en niemand ken in Turkije, werkt niet in mijn voordeel. Maar als er iets is wat ik geleerd heb, is het wel dat je verloren bent als je angst en zwakte toont. En als ik iets van huis uit heb meegekregen is het wel dat ik net zoveel rechten heb als de persoon die tegenover me staat. Angst en onderdanigheid, mijn ouders hebben hun dochters ingepeperd dat dat nergens voor nodig is. Zeker niet in Nederland.

Maar ik ben in Turkije en als ik na zo’n twintig uur vastgehouden te zijn door de Turkse politie word ‘vrijgelaten’, is er wel degelijk wat veranderd. Mijn vader (73) ziet zijn oudste dochter al wegrotten in een Turkse cel terwijl hij doodgaat, mijn moeder (72) ziet haar oudste dochter al doen wat Syriërs doen, en vliegt halsoverkop naar Turkije om mij voor ‘stommiteiten’ te behoeden. De hele wereld heeft het over mij (dank je wel wereld!) en ik ben geconfronteerd met iets waar ik mijn hele leven nog nooit kennis mee heb gemaakt: vrijheidsberoving. Mijn telefoon wordt afgeluisterd, ik zit in een verkeerde film. Als ik doe alsof ik naar de film kijk, komt de ‘oude’ Ebru tevoorschijn: het leven is een feestje waar alles goed komt. Als ik laat doordringen dat ik de hoofdrolspeler in de film ben en me herinner dat ik een hekel heb aan films die goed aflopen (zo cliché), verlam ik. Dan zou ik het liefst in een hoekje zitten huilen. En wees gerust: dat doe ik ook. Maar niet waar mijn ouders bij zijn. En niet als de wereld meekijkt en luistert.

Maar als een vriendin belt en we het hebben over die leuke man die ik net ontmoet had, die geen idee had wie ik was, die me niet googelde en die gewoon oprecht aardig was, huil ik mijn ijsje onder. Of als ik in bed lig, in het huis van mijn ouders omdat ik niet alleen wil zijn en weet dat een kamer verderop mijn moeder van 72 geen oog dichtdoet. Of als mijn moeder begint te huilen terwijl ze de premier aan de lijn heeft: „Zorg dat mijn dochter veilig thuiskomt, meneer Rutte”. Of als Thierry Baudet me sms’t met de vraag of er niet gecrowdfund moet worden. Of als mijn METRO-hoofdredacteur Robert van Brandwijk me elke ochtend belt om te vragen hoe het met me gaat. Als ik besef dat de mensen om me heen zich zorgen maken, schiet ik in de stress.

Maar hoe heftig de situatie in Turkije ook is – er hangt vier jaar celstraf boven mijn hoofd – er is maar één ding dat mij zorgen baart: mijn veiligheid in Nederland. Ik word al jaren bedreigd, lastiggevallen, geïntimideerd; ik heb er tig columns over geschreven waar lacherig over gedaan werd. Ach, het is Ebru. Maar de inbraak in mijn huis in Amsterdam is een duidelijk keerpunt; mijn leven in Nederland zoals ik het ken, is voorbij. Ik kan niet meer terug naar mijn woning in Amsterdam. Een beetje inbreker kraakt het slot, haalt de sieraden en elektronica weg en neemt niet de moeite om ‘HOER’ en ‘WIJ ZIJN MAROKKANEN’ op de muur te kalken. Dus over wat er gebeurt als ik in Amsterdam over straat ga, durf ik niet na te denken.

Ja, ik voel mij opgejaagd wild, ik bén opgejaagd wild, nota bene in twee landen en zie slechts één manier van handelen: de confrontatie. Dat onverbloemd de waarheid vertellen wordt afgedaan als provoceren, is de kern van het probleem waar de Nederlandse samenleving mee worstelt. Waarom zou je andersdenkenden, andersgelovigen omarmen en opnemen in je midden, voeden en financieren, terwijl het enige wat zij willen het omverwerpen van diezelfde samenleving is? Ik provoceer niet; ik constateer alleen dat mijn samenleving met alle vrijheden wordt afgebroken, afgepakt en verdwijnt. Dat komt niet door de andersdenkenden, dat komt door politici die de andersdenkenden daar alle ruimte voor geven. Ze zullen daar hun electorale redenen voor hebben, maar ik heb alleen maar egoïstische motieven. Ik hou van mijn vrijheid, ik hou van mijn leven, ik hou van Nederland. En nooit, nooit zal ik vrijwillig naar de slachtbank lopen. Want als je me kapot wilt maken, monddood wilt hebben zo je wilt, zul je daar toch beter je best voor moeten doen.