Waarom praten voetballers zo raar?

Voetbaltaal Het eredivisieseizoen loopt op z’n eind. Ook dit jaar valt het weer op: voetballers hebben hun eigen taal. Waar komen toch die uitdrukkingen als ‘hoog in de concentratie zitten’ vandaan?

Illustratie Aart-Jan Venema

Jan Reker was niet tevreden in de winterstop van 2009. PSV stond vierde in de eredivisie, liefst elf punten achter koploper AZ. Dus waarschuwde de algemeen directeur van de club op 6 januari, tijdens de nieuwjaarsreceptie in Eindhoven, dat het elftal niet meer ‘door de ondergrens mocht zakken’.

Die uitdrukking hadden weinigen toen nog gehoord. Niet als het over voetbal ging, in elk geval. En dat het opmerkelijk was, bleek ook wel uit wat de media schreven over die middag. Persbureau ANP zette de zinsnede tussen haakjes, om te benadrukken dat hij het echt zo had gezegd. De Volkskrant pikte het op en opende het artikel ermee. NRC zette het zelfs in de kop: ‘Nooit meer door de ondergrens.’

Voetballers willen en mogen niet te veel zeggen

Het voetbal heeft zo zijn eigen taaltje. En hoe meer spelers, coaches, analisten, journalisten, commentatoren en kenners erover praten, hoe meer het wereldje taalkundig in zichzelf gekeerd lijkt te raken. Meer dan die nieuwjaarsreceptie in januari 2009 was er niet voor nodig om dat ‘door de ondergrens zakken’ gemeengoed te maken; in het restant van het seizoen begonnen coaches bij andere clubs het over te nemen om de prestaties van hun eigen ploeg te beschrijven, en nu kun je het letterlijk elke week horen. Er zijn inmiddels zelfs gradaties in aan te brengen: ‘We zijn dit seizoen nog niet zo door de ondergrens gezakt als vandaag’, zei Peter Bosz in 2014 over zijn Vitesse. Ook recent gehoord of gelezen: teams die ‘heel diep’, ‘heel hard’, ‘heel vaak’, ‘heel ver’, ‘nauwelijks’, ‘als team’ of ‘vooral mentaal’ door de ondergrens zakten.

Het is bij lange na niet de enige uitdrukking die min of meer bij toeval het voetbal binnengesmokkeld werd en daar in razendsnel tempo een cliché werd. Wie kan het nog volgen? Wanneer dacht u voor het laatst: goh, wat een uitstekende samenvatting van de wedstrijd geeft die coach of speler? Hoe komt het dat ze in dat wereldje zo raar praten? Vier redenen.

1| Coaches maken de taal

Als er een nieuwe term of uitdrukking het voetbal binnendringt, dan gebeurt dat vaak via trainer/coaches. Zij zijn degenen die beter gewend zijn te praten over het spel dan spelers, en er meer beschouwend over nadenken. Reker had dat met die ‘ondergrens’ overgenomen van Guus Hiddink, die in de jaren ervoor succesvol PSV-coach was geweest en de uitdrukking binnen de club vaak gebruikte. Rinus Michels had het vaak over ‘de ziekenhuisbal’, Cruijff zei ‘Je moet schieten, anders kun je niet scoren’ en Co Adriaanse verzon ‘scorebordjournalistiek’.

Vaak hebben trainers het over concentratie of het gebrek daaraan. Juist daarom zit de voetbaltaal zo overvol met synoniemen en antoniemen van dat woord. Ze zeggen dat de ‘focus’ nu op de volgende wedstrijd moet, dat niet ‘alert’ gereageerd werd, of dat de verdediging ‘stond te slapen’. Van Fred Rutten kennen we ‘hoog in de concentratie zitten’. En je hoort om de haverklap ‘we vergaten te voetballen’ - het tegenovergestelde van geconcentreerd zijn. Spelers, maar ook de media, nemen dat over.

2| Beter niets zeggen dan iets zeggen

Voetballers willen en mogen niet te veel zeggen. Een paar clichés oplepelen wordt niet afgestraft, het achterste van je tong laten zien wel. Een schijnbaar onschuldige opmerking (‘Barcelona zou natuurlijk een droomclub zijn’) kan al volledig verkeerd vallen bij de club, de fans en de media. Toen FC Twente-speler Hakim Ziyech afgelopen winterstop in de Volkskrant kritiek gaf op medespelers en het clubbestuur, werd hem de aanvoerdersband meteen afgenomen.

„Je zit in een regime”, zei ex-voetballer Björn van der Doelen vorig jaar in een interview met Nieuwe Revu. „In je contract staat dat je de club niet in diskrediet mag brengen. Dat is eigenlijk een beperking van je vrijheid van meningsuiting, terwijl we die in Nederland zo belangrijk vinden.”

3| Voetballers zijn jong

We lijken het vaak te vergeten, maar het is geen uitzondering dat een speler op zijn negentiende al een interview moet geven voor een miljoenenpubliek. Terwijl hij niet wordt betaald om te praten; hij wordt betaald om te voetballen. Verlegen, onervaren en zonder goede rolmodellen vlucht ook hij vanaf het prille begin in afstandelijke taal en gemeenplaatsen. Door bijvoorbeeld in de eufemistische je-vorm te praten en elke zin te sturen naar ‘het team’, ‘het belang van de club’ en de ‘drie punten’. Je weet niet anders.

4| Media willen meer, meer, meer

Ondertussen wordt de aandacht van de media voor voetbal alleen maar groter. Meer uitzendtijd, meer sites, meer nieuws, meer praatprogramma’s. Terwijl er niet méér te zeggen is over het spelletje. We proberen met dezelfde hoeveelheid siroop steeds meer limonade te maken. Logisch dat de taal daar waterig van wordt.

Bovendien gaat die wereld steeds sneller draaien; het is geen uitzondering dat een verslag een halve minuut na het laatste fluitsignaal al online staat, en op drukke wedstrijddagen houden websites als die van VI, Nu.nl en NOS liveblogs bij met alle laatste ontwikkelingen op ‘de velden’. Dan heb je geen tijd om origineel te zijn of je zinnen nog eens te overdenken; dan doe je gewoon een greep in de tombola met al die vaste termen en zinsneden. Journalisten die een voetballer interviewen, nemen dat taaltje weer over, in de hoop bij hun wereld aan te sluiten en ze aan het praten te krijgen.

En zo wordt het weer iets normaler om ‘uit de organisatie’ te lopen, ‘tussen de linies’ te duiken - of door die dekselse ondergrens te zakken.