‘Ik was nooit boos op mijn lichaam’

Jari Litmanen (45) was even terug in Amsterdam, de stad waar de Finse voetballer grote successen behaalde bij Ajax. Zijn autobiografie is net uit, Litmanen 10.

Foto Jaanis Kerkis

Hij had enkele dagen eerder een telefoontje gehad. Of hij naar Nederland kon komen. Het was belangrijk, werd hem verteld. Nou moest hij toch al hier zijn, dus dat was toevallig. Vrijdag reisde hij af naar Purmerend, 8 uur ’s ochtends. „Iemand die heel belangrijk voor me is geweest. Uit mijn Ajax-tijd ja.” Jari Litmanen kapt verdere vragen af. Strakke blik. „Nee, we gaan het daar nu niet over hebben. Maar ik moest diegene zien. Het gaat niet goed. Steeds minder.”

Even tijd voor iemand anders, nu de rest van de dag, net als de dag ervoor, om hem zou draaien. Die aandacht past eigenlijk helemaal niet bij hem. Dat was op het veld ook nooit zo. Maar de promotie van zijn autobiografie – Litmanen 10 – is uitgelopen op een ereronde van twee dagen. De Fin is elk jaar wel een keer terug in Amsterdam, waar hij uitgroeide tot een van de beste Ajacieden ooit, hoofdrolspeler van het succeselftal uit de jaren negentig. Maar dit is toch anders. Iedereen wil hem spreken, herinneringen met hem ophalen.

Hij ziet er bijna hetzelfde uit als toen, als hij aanschuift in het hoekje van de bar van het Amsterdamse Hilton-hotel. De man die zelfs een matje in de nek nog cool wist te maken. Het strakke gezicht, de wat mysterieuze glimlach. Het haar zit nu strak naar achteren, korter, keurig. Maar verder is het Litmanen, alleen de rimpels onder zijn ogen verraden dat hij inmiddels 45 is.

„Natuurlijk vind ik die aandacht verrassend. Ik vind het apart en fantastisch, maar ik verwacht nooit iets. Maar toch, na al die jaren. Ik ben toch alweer twaalf, dertien jaar weg.” Maar wat het nou precies aan hem is? Ja, hij was natuurlijk een van de hoofdrolspelers van het Ajax dat in 1995 de Champions League won, succes na succes boekte. Ja, hij scoorde ook veel. Maar hij was geen excentrieke voetballer, geen enorm uitgesproken persoonlijkheid. „Ik denk dat het ermee te maken heeft dat ik langer ben gebleven. Om die jongens gaat het toch. Dat zie je bij Chelsea bijvoorbeeld met John Terry, of Frank Lampard.”

Litmanen is ondanks de drukte goedlachs. En als je hem niet onderbreekt, praat hij minutenlang achter elkaar door. Zijn Nederlands is nog uitstekend. Geen enkele keer zul je hem zien zoeken naar woorden. Maar hij weegt ze wel. Net als in zijn boek. Geen oud-speler, -trainer of vriend die hem niet „intelligent” noemt. Berekenend is misschien beter. Hier zit een man die over elke stap in zijn carrière nadacht. Dat had-ie van zijn vader, zegt hij. Een man van de oude stempel, een man die het eerste contract van zijn zoon nog met een handdruk bestendigde, niet met een krabbel op papier.

Ajax

Litmanen ging op zijn 21ste pas weg uit Finland. Had best eerder gekund, er was ook wel interesse, maar hij koos ervoor school af te maken en zijn dienstplicht te vervullen. Je zou dat later alsnog moeten doen, zeg. „Het is mijn karakter: ik denk na. Wat is de beste oplossing? Ik zie een voetbalcarrière een beetje als het onderwijs: je gaat ook geen eindexamen doen na de lagere school. Van de lagere school ga je naar de middelbare en dan naar de hogeschool of universiteit.”

Ajax was zijn middelbare school. Een logische keuze. „Ik kon bijvoorbeeld niet naar Engeland op mijn twintigste. Ik was geen fysieke jongen. Ik moest het vanuit techniek en tactiek doen.”

Hoe anders is het nu. Het zijn tijden van lonkende sportauto’s en transferbedragen van tientallen miljoenen euro’s. Van spelers wegplukken voordat ze rijp zijn. Dat is niet logisch nee, zegt Litmanen, maar de tijden zijn anders. „Vroeger was het spel belangrijker dan de randzaken, nu worden die randzaken steeds belangrijker. Ik had zelf pas op mijn veertiende, vijftiende door dat je geld kon verdienen met voetbal.” Litmanen groeide op in een land zonder echte voetbalcultuur. Als hij in zijn jeugd betaald kreeg om op het veld te staan, dan was dat net zoveel als dat zijn vrienden kregen voor hun bijbaantjes. Van voetbal kocht je iets extra’s. Luxe was bij hem thuis een tuingrill of een schommel. Een van de eerste dingen die hij kocht toen hij een beetje fatsoenlijk begon te verdienen bij Ajax was een oranje Citroën 2CV, een Lelijke Eend. Heeft-ie nog steeds.

De man van glas

Litmanen werd van Amsterdam en andersom. Zelfs toen vrijwel het gehele succeselftal om hem heen eind jaren negentig uit elkaar was gevallen, bleef hij nog drie jaar plakken. Een paar jaar daarvoor had Hans Kraaij jr. hem in een beroemd interviewfragment in niet onaardig Fins gevraagd of hij nog eens in het buitenland wilde spelen. Litmanen antwoordde toen dat hij dat al deed. „Ik was een halve Nederlander geworden.”

In 1999 vertrok hij toch nog, naar Barcelona. Herenigd met Louis van Gaal, onder wie hij de Champions League won. Geen succes. Het werd na de eerste periode bij Ajax eigenlijk nooit meer als toen. Mede dankzij de vele blessures.

Die rot-enkel. We moeten het er toch even over hebben. Litmanen eindigt zijn boek immers met de vraag wat hij allemaal had kunnen bereiken als hij niet zo ongelofelijk vaak geblesseerd was geraakt. Negen van de tien keer dat er iets mis was, was het terug te voeren op zijn enkel, die er volgens een Finse dokter tien jaar geleden nog maar amper aan hing. Die verdomde blessures. Hij was de ‘man van glas’. Ronald de Boer herinnerde zich hoe Litmanen zich ooit bezeerde aan zijn rug toen hij in de auto stapte na een wedstrijd. Komisch en tragisch tegelijk, zei hij.

‘Het spel was in mijn tijd belangrijker dan randzaken. Dat is nu niet altijd meer zo’

„Boos? Nee, ik ben nooit boos geworden op mijn lichaam”, zegt Litmanen, een beetje verongelijkt. „Ik twijfelde weleens: hoe komt het nou? Maar altijd was er een logische uitleg.” De arts die hem in 2006 opereerde, verzekerde hem dat het ooit nog een keer moet gebeuren. Hij stelt het moment uit. En hij blijft maar voetballen. Tot zijn 40ste was hij profvoetballer, en zelfs nu speelt hij nog geregeld. „Ook als ik niet train moet ik behandelingen hebben. Trainen of niet trainen maakt niet uit. Ik voel me geestelijk en lichamelijk beter als ik wat dingen kan doen. Voor mij zijn die behandelingen geen moeite. Als er een arts komt die zegt: we moeten nu iets aan die enkel doen, want dat is het beste voor je, prima. Maar die is er nog niet geweest.”

Als Litmanen zegt dat hij nooit heeft gevoetbald voor het geld, dan geloof je hem. Het is een uit de hand gelopen hobby van iemand die zichzelf nooit lijkt te hebben gezien als de topspeler die anderen in hem zagen. Op het veld keek hij tegen zijn medespelers op, alsof ze niet in hetzelfde team speelden.

„Ik kom uit een omgeving waar we geen voetballers hadden. Ja, lokale. Ik keek Maradona, ik keek Van Basten, Rijkaard, Gullit, Koeman, Wouters. Ik keek van een afstand. En opeens stond ik tussen die jongens. Wouters werd mijn trainer, Koeman werd mijn trainer, ik heb gespeeld met Rijkaard, met Bergkamp. Ik heb eigenlijk al die jaren als fan gevoetbald. Ik was een supporter die op het veld mocht staan en mocht spelen met zijn idolen. Ik had natuurlijk wel het gevoel: ik ben goed genoeg om hiertussen te lopen, maar eigenlijk was ik gewoon een fan. Ik had nooit het gevoel dat iemand míj leuk vond.”

Een paar uur later zit Litmanen op de broeierige bovenverdieping van boekhandel Scheltema in Amsterdam achter een grote tafel, boek na boek te signeren. Voor Ajacieden die met hem opgroeiden, voor ouders van kinderen die zijn naam dragen. Honderden. Het einde van de rij voor de ingang is niet meer te zien. Buiten wordt tegen mensen gezegd dat ze beter kunnen gaan, hij zou al weg zijn als ze eindelijk in de buurt kwamen. Ze bleven staan.