Dankzij Van der Rohe zie je schoonheid in Heerlen

Mies van der Rohe met de maquette van de S.R. Crown Hall. Foto ArthurSiegel/ Chicago History Museum

„Meer is minder.” De uitspraak is architect Ludwig Mies van de Rohe vaak toegeschreven. Hij heeft hem echter nooit gedaan. Wel sprak hij over zijn streven naar „beinahe nichts”. De door hem in 1956 ontworpen S.R. Crown Hall, nog altijd het onderkomen van het Illinois Institute of Technology in Chicago, is in de kern weinig meer dan een stalen frame zonder extra ondersteunende zuilen met veel glas. Helaas is het in de loop der jaren met weinig gevoel gerenoveerd en aangepast. Stilaan werd bovendien vergeten dat het landschap integraal onderdeel van het ontwerp was. Bomen en beplanting rondom zorgden voor een aangename temperatuur binnen.

Mies en de erfenis van het modernisme, een expositie in Schunck* in Heerlen, laat zien hoe complex het behoud is van het werk van iemand als Mies van der Rohe (1886-1969), directeur van het Bauhaus en een aartsvader van het modernisme.

„Er wordt inmiddels veel meer in zijn geest gewerkt bij restauraties”, zegt curator Andrea Croé. „De architectuurhistorische waarde van modernistische gebouwen staat ook beter op de radar dan destijds.”

De tentoonstelling in Heerlen licht behalve de S.R. Crown Hall ook de tweelingwolkenkrabbers 860-880 Lake Shore Drive, de Robert F. Carr Memorial Chapel (beide in Chicago), Huis Tugendhat in Brno (Tsjechië) en de Verseidag-fabriek in Krefeld (Duitsland) uit. Dat gebeurt met originele tekeningen, oorspronkelijk materiaal en een paar meubels van de meester, maar vooral met veel tekst en foto’s. Bezoekers kunnen ter plekke reproducties van ontwerpen voor bouw en behoud ter hand nemen. En er is een twintig meter brede filminstallatie die een inkijkje geeft in de vijf gebouwen nu.

Het is geen toeval dat juist in Heerlen een expositie is over Mies van der Rohe en de omgang met zijn erfenis. De architect werd nauwelijks vijftien kilometer verderop geboren in Aken. Bovendien herbergt Heerlen, in de tijd van de steenkolenmijnen booming en uiterst welvarend, een grote hoeveelheid modernistische gebouwen uit de twintigste eeuw. Schunck*, waar de expositie te zien is, is er zelf een voorbeeld van. Het in de jaren dertig van de vorige eeuw neergezette warenhuis van architect Frits Peutz is prachtig gerenoveerd door architecten Jo Coenen en Wiel Arets.

Veel andere modernistische panden in Heerlen sneuvelden al onder de slopershamer. Er zijn nog zo’n honderd over. Schunck* toont een groot deel ervan. Het maakt dat je na afloop anders kijkt naar Heerlen, een stad die niet direct bekendstaat om haar schoonheid.

Tegelijkertijd slaat de schrik je om het hart. Zijn al die kubieke meters van toen nog nodig bij voortgaande bevolkingskrimp, ontkerkelijking en terugloop van het aantal winkels? En wie gaat de kostbare renovaties betalen van werken van architecten die flink wat minder aanzien hebben dan Mies van der Rohe?