Zijn moeder werd net zo erg als de moffen

Ton Bernsen (85) zag zijn moeder na de bevrijding in 1945 het buurmeisje kaalscheren. Dat heeft hij haar nooit vergeven. Jaren later zocht hij het meisje op om excuses te maken.

Een interview met Ton Bernsen (85) is een beetje alsof je opa vraagt nog eens over de oorlog te vertellen. Zittend op een stoel in de hoek van de woonkamer komen de anekdotes vanzelf. Op zijn schoot een doos vol spullen uit die tijd. Kleine verzetskrantjes, krantenknipsels en pamfletten die uit vliegtuigen gegooid werden. Een gevouwen mutsje van papier, oranje, met de Engelse en Amerikaanse vlag. Hij maakt een kleine beweging richting zijn hoofd. Dat had ik dan op, zo.

Bernsen groeide op aan de Herenweg in Utrecht. Hij was negen toen de Duitse soldaten de stad binnenvielen. Samen met zijn vader ging hij kijken hoe ze vanuit het naastgelegen De Bilt met grote legertrucks de stad in reden. Dat was spannend, al maakten de mannen in de tanks hem ook bang: die droegen zwarte mutsen met een doodshoofd erop. „Halverwege de Wittevrouwenbrug stonden Nederlandse burgers ze al de weg te wijzen. Dat waren landverraders.”

‘Die rooie rotmeid van hem is een moffenhoer, hoe durft ie’, zoiets zei zijn moeder

Terwijl hij vertelt haalt hij meer spullen tevoorschijn. De zwarte verduisteringslamp die boven de eettafel hing. Een kopie van een brief van Eisenhower. Hij heeft zelfs nog het klepje – waar ligt het ook alweer – dat je op de lamp van je fiets moest zetten, zodat er maar een heel klein straaltje licht overbleef. Want o wee als de geallieerden het licht van de stad zouden zien.

Het zijn herinneringen aan een voor hem avontuurlijke tijd. Er was geen school, dus hij zwierf met vriendjes over straat en haalde kattekwaad uit. Ze plakten bij mensen briefjes op de rug met ‘lege bovenkamer te huur’. Of ze probeerden de perronkaartjesautomaat op het verlaten station leeg te halen. Daar zaten soms nog tweeënhalvecentstukken in.

Een keer zijn ze gesnapt door een NSB-agent, hun zakken vol koperen fietspenningen. „Gajes noemde hij ons. Met die grote laarzen gaf hij me een trap onder mijn achterwerk. Toen ben ik snel weggerend en heb ik in de verte staan schelden.”

Sommige anekdotes vervaagden met de tijd. Andere herinneringen komen slechts op bepaalde momenten naar boven. Maar een gebeurtenis zal hem nooit meer loslaten: het volksgericht tegen zijn buurmeisje Katrien, aangesticht door zijn eigen moeder.

De dochter van de slager

Katrien was de dochter van de slager aan de overkant. Ze was mooi, altijd goed gekleed en met een dikke bos rode krullen. Ze moet een jaar of achttien zijn geweest, gokt Bernsen. Twintig misschien.

Katrien was verliefd geworden op een jonge Duitse officier van de Wehrmacht. „Dat waren de kwaadsten niet, zeiden wij vroeger. Ze kwamen drank halen in de slijterij van mijn vader en betaalden daar ook gewoon voor.” Katrien en de officier wandelden gearmd door de buurt en zaten op zondagochtend samen in de kerk. „Het was net een verloofd stel, er was niks ordinairs aan.”

Bernsen en de jongens uit de straat riepen haar vaak na als ze langsliep: „Rooie Katrien! Rooie Katrien!” In die tijd was dat normaal, vertelt hij. Iedereen die anders was dan de standaard – ouderen, gebochelden, gehandicapten, roodharigen – werd bespot. „Hoedt u voor de mismaakten”, zei zijn moeder vaak, naar een oud spreekwoord.

Meestal liet Katrien het getreiter gelaten toe. Tot ze er op een dag zo genoeg van had, dat ze dreigde het aan haar Duitse officier te vertellen. „Toen durfden we niet meer.”

Op de dag dat Utrecht bevrijd werd (Bernsen was toen veertien), hing de slager de Nederlandse vlag uit, tot grote woede van Bernsens moeder. „Die rooie rotmeid van hem is een moffenhoer, hoe durft ie”, zoiets zei ze.

Van achter uit de winkel haalde ze een grote houten keukentrap, rende naar buiten en begon onder luid gejoel van buurtgenoten aan de vlag te trekken.

Een groep Binnenlandse Strijdkrachten kwam op het rumoer af. Ze droegen blauwe overalls en oranje banden om hun arm. „Het waren van die ongure types die we tegenwoordig aso’s zouden noemen. Ruwe bonken van kerels die tot mijn verbazing blijkbaar lid waren van het verzet. Ik dacht altijd dat verzetsmensen nette kerels waren.”

Ze werd op een handkar gezet

De mannen sloegen de winkelruit in. Katriens broer stond klaar met een groot slagersmes, maar de mannen konden hem met hun stenguns makkelijk overmeesteren. Katrien had zich verstopt in een lege koelcel. Ze werd naar buiten gesleurd en op een handkar gezet, die iemand opgeduikeld had bij een winkeltje op de hoek. Er kwamen veel mensen op af, buurtgenoten ook. Ze spuugden naar Katrien en stompten haar waar ze maar raken konden. „Haar gehuil was hartverscheurend.”

Iemand begon met een oude tondeuse aan haar rode krullen. Eigenlijk was het meer uittrekken dan echt scheren. Bernsens moeder scheurde de jurk van Katrien kapot en rukte de gouden sieraden van haar hals. Zijn vader probeerde haar nog tegen te houden. „Nu ben je net zo erg als de moffen”, heeft hij volgens Bernsen gezegd. Maar zeker weten doet hij het niet.

Het was de eerste keer dat Ton Bernsen, als goed opgevoede katholieke jongen, een vrouw in haar onderkleding zag.

Vanaf dat moment is de band tussen Bernsen en zijn moeder beschadigd en nooit meer goed gekomen. „Dat zij zo triomfantelijk was, terwijl ze iemand zo vernederde en mishandelde, dat kon ik niet verkroppen. Zo volks, zo asociaal, zo’n primitief levensinzicht. Zo van: ik ben Nederlands en alles wat anders is accepteer ik niet. Dat is een, ik durf het wel te zeggen, bekrompenheid die je nu ook nog wel ziet.”

Ze hebben het nooit meer over Katrien gehad.

Verliefd op een inheems meisje

Toen Bernsen later in de jaren vijftig als dienstplichtig grenadier uitgezonden werd naar Suriname, leerde hij daar een meisje kennen: Nell. „Ik dacht: wij doen precies hetzelfde als Katrien en haar officier. Nell werd verliefd op een buitenlandse bezetter, ik werd verliefd op een inheems meisje.”

Ook in Suriname werd die liefde aanvankelijk niet geaccepteerd. Als ze samen door Paramaribo liepen, kregen ze opmerkingen van mannen op straat. „Ze noemden me vaak Jantje – een bijnaam voor Nederlandse soldaten. Jantjes hadden niet zo’n beste naam: we waren de vertegenwoordiger van de kolonisator en er waren er nogal wat bij die zich misdroegen. Nell kon goed met de opmerkingen omgaan, die zei vaak tegen hen: als jij ook zo’n goede baan hebt, praten we nog wel eens verder.”

Eenmaal terug in Nederland zocht hij – aangespoord door zijn eigen ervaringen – de oude slagerij aan de Herenweg nog eens op. Katrien was weg. Ze was getrouwd en verhuisd naar Den Bosch, zeiden oude buurtgenoten.

Bernsen vond naar nummer en adres in het telefoonboek. De lange brief die hij schreef kwam ongelezen terug.

„Ik wilde excuses maken voor wat mijn moeder haar had aangedaan. Ik wilde haar zeggen dat ik me rot voelde over de bevrijding. Dat de beelden nog steeds op mijn ogen branden.”

Hij heeft haar daarna nog eens gebeld. Hij hoefde zich er niet druk over te maken, zei ze. Ze wilde er verder niet meer over praten.

„Ik had gewild dat het contact uitvoeriger had kunnen zijn. Niet omdat ik vergeving wilde, maar zodat we hadden kunnen praten over die tijd. Dan zou ze weten dat in ieder geval iemand op de Herenweg het er niet mee eens was.”