Oorlog als obsessie van een voetbaldier

Jan Boskamp Thuis in Rotterdam ging het zo vaak over de oorlog dat de voormalige Feyenoorder er gefascineerd door raakte. „Ik wil alles zien.”

Foto Katrijn Van Giel

De moeder van Jan Boskamp had handen als kolenschoppen. Grote, stevige handen waarmee ze niet schroomde om haar kroost een draai om de oren te geven. Zeuren over het eten? Pats. Na jaren van voedselschaarste en een gedwongen verhuizing uit een platgegooid huis in Rotterdam, was elke minachtende opmerking er een te veel. „Jij hebt zeker de oorlog niet meegemaakt?”, zei ze dan. Telkens weer die retorische vraag aan een kleuter die zich van geen kwaad bewust was, maar dat wel werd.

Zo is het allemaal begonnen. De urenlange bezoeken aan oorlogsmusea waar ook ter wereld, het struinen langs ontelbare witte kruizen in Normandië en het verzamelen van documentatie over een oorlog waarvan hij alles wil weten. Van Schindler tot Shoah, bombardement tot Blitzkrieg en Atlantikwall tot het Ardennenoffensief. Elke wending, elk detail.

Babyboomer Jan Boskamp (1948): „Vorig jaar was ik nog in Hawaii, bij Pearl Harbor. Stond ik op een platform boven een gezonken oorlogsschip waarin meer dan duizend Amerikaanse soldaten een zeemansgraf kregen. Je kunt het schip zien liggen. Wat je dan voelt, is onbeschrijfelijk. Ik dacht dat mijn fascinatie in de loop der jaren minder zou worden, maar het stopt niet. Ik wil nog meer zien, nog meer weten en moet begrijpen hoe dit heeft kunnen gebeuren.”

Dit is een andere Jan Boskamp dan de man die het grote publiek kent. Dat is een voormalige middenvelder die met Feyenoord de wereldbeker won (1970), later trainer werd in Nederland en België en die tegenwoordig aanschuift bij talkshows als Voetbal Inside. In plat Rotterdams geeft hij dan zijn ongezouten mening over een spel waaraan hij verslaafd is. Kan hij om 4 uur ’s nachts nog een Japanse wedstrijd zien, dan is hij geneigd te blijven zitten. Boskamp kijkt alles.

Het erge is: soms heb ik het idee dat we niet leren van het verleden. Elders hakken ze elkaar nog steeds de kop af.

Hij zegt het later zelf: „Ik kan moeilijk afstand van dingen nemen. Ik blijf maar doorkijken. Ook met dvd’s over de oorlog. Ik heb een serie die in totaal 50 uur duurt. Heb ik bijna in één ruk gekeken.”

De 6.000 dvd’s die hij bezit, voornamelijk documentaires, staan in een kast die een halve muur in beslag neemt op de zolder van zijn vrijstaande huis in Relegem, vlakbij Brussel. De gewezen trainer ziet graag zwart-witbeelden en vermoedt dat hij inmiddels elke opname uit die tijd heeft gezien. Koopt hij een nieuwe docu, ziet hij dezelfde soldaten aan land gaan in Normandië. Op weg naar leed en gruwel.

„Er zijn maar weinig mensen die hier komen”, zegt Boskamp als hij de trap oploopt. Het is alsof hij de poort opent naar een ander deel van zijn leven. Dat van de man die twee keer Auschwitz bezocht om nogmaals te zien wat hij amper kon beseffen en die eens 14 uur doorbracht in een oorlogsmuseum in het Franse Caen omdat hij per se alles wilde zien.

Naast twee fitnessapparaten staan er kasten met honderden boeken, waaronder de complete reeks van historicus Loe de Jong. Heeft hij een voor een gelezen. Hij had meer boeken, maar toen hij nog van plan was te verhuizen, heeft hij er 400 weggegeven. Had hij nooit moeten doen.

Foto Katrijn Van Giel

Jan Boskamp:„Ik kan moeilijk afstand nemen.”. Foto Katrijn Van Giel

Bombardement Rotterdam

Meest opvallend in zijn collectie is de reeks originele oorlogskranten die doorloopt over drie wanden. Veilig ingelijst en minutieus op dezelfde afstand van elkaar opgehangen. Hij kreeg ze van een suppoost bij Feyenoord, die op de hoogte was van zijn fascinatie voor de Tweede Wereldoorlog. Zoals er ook mensen in Engeland zijn die hem documentatie opsturen. Op de vraag hoever zijn fascinatie gaat, zegt Boskamp: „Nou, ik zet geen tank in mijn tuin.”

De obsessie komt voort uit zijn jeugd in een stad die zwaar werd getroffen door het bombardement van de Luftwaffe. Boskamp is van drie jaar na de Bevrijding, maar om hem heen was de oorlog er altijd. In de onbewoonbare huizen waaruit hij en zijn broertje weleens lood pikten – „konden wij ook naar de film” – maar ook in de eigen familie. Anders dan in gezinnen waar het trauma een stil verdriet was, ging het in huize Boskamp over niks anders. Kinderen mochten niet zeuren en werden opgevoed met het idee dat de voormalige bezetters mensen van de ergste soort waren. Kwaadwillig en slecht van binnen.

Die spot en nijd resulteerde in een ingesleten aversie die onverhoopt weleens aan de oppervlakte komt. Toen Feyenoord in 1970 overwoog om de Duitser Jürgen Grabowski te kopen, hebben Boskamp en zijn medespelers zich daartegen verzet. In woord en gebaar. Nog voor de eventuele onderhandelingen speelde Feyenoord een oefenwedstrijd tegen de club van Grabowksi, Eintracht Frankfurt. „Hij was een wereldspeler, maar we hebben er alles aan gedaan om ervoor te zorgen dat hij niet kwam. Achteraf heb ik me afgevraagd of ik wel goed bij mijn hoofd ben. Die gozer kwam niet natuurlijk.”

Meestal gaat het vanzelf. Toen hij vorige week analist was bij het duel tussen Atlético Madrid en Bayern München, roemde hij het spel van Bayern. Zei hij daarna: „Alleen jammer dat het Duitsers zijn.”

Foto Katrijn Van Giel

Jan Boskamp in zijn WOII-hobbykamer. De kamer zelf lijkt op een bunker; geen ramen, laag plafond. Foto Katrijn Van Giel

Het graf van Oskar Schindler

Voor zulke flap-uit-teksten nodigen programmamakers hem uit. Het is onverbloemde tv waar kijkers stiekem om zullen grinniken. Maar op de bank in Relegem zegt Boskamp met enige gêne dat het nergens op slaat. Helemaal omdat het ook een ongewenst neveneffect heeft. „Mijn kleinzoon volgt het nu ook. Die wilde ineens wapens kopen, van die speelgoeddingen, en had het over moffen dit, moffen dat. Toen vond ik het helemaal niet leuk. Ik heb hem ook duidelijk gemaakt dat de mensen van nu er niks meer aan kunnen doen. Enige probleem is dat ik zelf het slechte voorbeeld heb gegeven.”

Tijdens het gesprek vraagt Boskamp zich meerdere malen af hoe het zover heeft kunnen komen. Hoe het kan dat „die achterlijke”, zoals hij Hitler vaak noemt, eens een bijeenkomst in München hield waar „33 man” op af kwam en hoe dat groepje toehoorders uitgroeide tot een leger dat op zijn bevel heel Europa introk.

Soms probeert hij zich voor te stellen wat hij zelf was geweest tijdens de oorlog. Stille getuige, verzetsman, lid van de NSB? „Ik kan nu een grote mond hebben dat ik niet bij de NSB zou gaan of dat ik in het verzet zou helpen, maar dat is makkelijk praten. Als je ziet dat Joodse mensen andere Joden naar de ovens hebben begeleid, besef je dat je in de meest vreselijke situaties kan komen. Dat het niet te bevatten is waartoe mensen in staat zijn. Het erge is: soms heb ik het idee dat we niet leren van het verleden. Elders op de wereld hakken ze elkaar nog steeds de kop af.”

Binnenkort wil hij twee Joodse musea bezoeken: dat in Berlijn en dat van Jeruzalem, waar hij tevens het graf van Oskar Schindler aan wil doen, de Duitse industrieel die in de oorlog het leven redde van meer dan duizend Joodse fabrieksarbeiders.

Daarna? Dan zet Jan Boskamp vermoedelijk zijn eerste stap op een plek waar hij nooit heeft willen komen: een begraafplaats van Duitse soldaten. „Het is een schande dat ik daar niet heen ga. Ze liggen bij wijze van spreken maar een paar meter bij de geallieerden vandaan. En toch heb ik het altijd vertikt. Maar ook dat waren jongens van negentien jaar die soms geen keuze hadden.”