Column

Niet teruggekomen

Het spook antisemitisme waart rond in het publieke debat alsof het nooit is weggeweest – wat nog klopt ook. Terwijl bij uitgeverij De Bezige Bij een controverse begon over vermeend antisemitisme van een aspirant-auteur, barstte bij de Labour Partij in het Verenigd Koninkrijk een hevige rel los over als antisemitisch geïnterpreteerde uitspraken van Ken Livingstone, oud-burgemeester van Londen.

Ondertussen las ik het bij De Bezige Bij (!) uitgekomen boekje En je kwam niet terug van Marceline Loridan-Ivens, de weduwe van Joris Ivens. Een indringend boekje in de vorm van een afscheidsbrief aan haar vader, die ze voor het laatst in 1944 in Auschwitz zag. Hij had het haar voorspeld: „Jij zult misschien terugkomen omdat je jong bent, ik zal niet terugkomen.”

„Die voorspelling”, schrijft ze, „heeft zich even diep en even onherroepelijk in me gegrift als het registratienummer 78750 een paar weken later op mijn linkeronderarm.” Ze probeert die vader in haar herinnering terug te halen, maar ze komt niet ver omdat ze destijds pas vijftien jaar was en hem nooit goed had leren kennen. De kracht van dit boekje is de beschrijving van haar gevoelens en ervaringen na afloop van de oorlog.

Hoe zelfmoord hun gezin teisterde: haar broer en zus doodden zichzelf, zij deed zelf twee vergeefse pogingen. „Jij had terug moeten keren”, schrijft ze haar vader. „Ik heb altijd gedacht dat het voor het gezin beter zou zijn geweest als jij was teruggekomen en ik niet. Ze hadden meer behoefte aan een echtgenoot en een vader dan aan een zus.”

Het einde van En je kwam niet terug is ronduit wrang. Ze beschrijft de gespannen situatie in het huidige Frankrijk. Hoe de Joden en de moslims tegenover elkaar staan. „Ik heb gehoord dat er werd geschreeuwd ‘dood aan de Joden’ en ook ‘donder op, Jood, Frankrijk is niet van jou’ – ik had de neiging uit het raam te springen. Dag na dag verlies ik mijn overtuigingen, mijn nuances, een deel van mijn herinneringen. (…) Ik zie politieagenten voor de synagogen, maar ik wil niet iemand zijn die bescherming nodig heeft!”

Welke indruk moet het recente nieuws over Labour op haar hebben gemaakt? Het Labour-Kamerlid Naz Shah voelde wel wat voor de suggestie om alle Joden naar de VS „te verplaatsen”, Ken Livingstone vond haar uitspraken „over de top”, maar zag er geen antisemitisme in, waarna hij op zijn beurt van antisemitisme werd beschuldigd door een Labourcollega. Twee jaar geleden, zo las ik, moest Labourlid Vicky Kirby worden geschorst omdat ze had getwitterd dat Joden ‘grote neuzen’ hebben.

Daarmee was voor mij de cirkel voltooid, want ik las dezer dagen ook een tekst uit 1911 van de schrijver Paul Léautaud die, als destijds zoveel Fransen (om me gemakshalve tot één volk te beperken), een overtuigde antisemiet was. Misprijzend constateert hij als toneelcriticus dat er zoveel Joodse actrices opkomen: „...en dan ook nog van die kleine, onmiskenbare Jodinnetjes met een arendsneus, een kleine gebogen kin, troebele ogen, een ziekelijke kleur.”

Antisemitisme zal er altijd zijn, want we hebben boosdoeners nodig, mensen die het kwaad belichamen, die ervoor verantwoordelijk zijn dat we nooit zo gelukkig worden als we zouden willen. „Geef de mensen een vijand”, zei Hitler, „maar geef hun er nooit meer dan één.”

Dat liquideert beter.