Interview

Mensapen tellen voor het te laat is

Er zijn meer orang-oetans dan gedacht, maar hun leefgebied verdwijnt snel.

Serge Wich: „In Tanzania gaan we nesten van chimpansees tellen met drones.” Foto Olivier Middendorp

Binnenkort vliegt de Nederlandse primatoloog Serge Wich (1969) met drones boven Tanzania. Zaterdag vertrok hij naar het Afrikaanse land. De drones gaan daar nesten van chimpansees in de boomtoppen fotograferen.

Wich (spreek uit als ‘wig’), hoogleraar primatologie aan John Moores University in Liverpool, is een van de productiefste onderzoekers van orang-oetans ter wereld. In Science Advances (maart) publiceerde hij met een internationaal team nieuwe tellingen. Die vielen gunstig uit. Er blijken nog twee keer zoveel Sumatraanse orang-oetans over als eerder geteld – tellingen die hij ook zelf had geleid. Wich werkt ook samen met natuurbeschermers om andere bedreigde dieren te tellen, zoals chimpansees.

In Nederland is hij sinds 2014 bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, met onderzoeksgeld van het Wereldnatuurfonds. Wich is maar enkele malen per jaar in het land. In een Amsterdams café komt Wich binnen met een vrijwel lege rolkoffer, die hij voor de familie gaat vullen met Nederlandse kaas, pindakaas en nasikruiden.

Wat betekent het dat er geen 7.000 orang-oetans op Sumatra blijken te leven, maar ruim 14.000?

Wich: „We hadden een dubbel gevoel. Aan de ene kant was ik een beetje blij, omdat we ontdekten dat ze veel hoger in de bergen zaten dan we dachten. De bossen worden daar minder snel omgehakt dan in het laagland. Dat geeft meer tijd om iets te doen. Maar omdat we onderschat hebben waar orang-oetans allemaal kunnen leven, zijn we er ook veel meer kwijtgeraakt dan we vroeger dachten. En dat moet redelijk recent gebeurd zijn.”

Hoe recent?

„In de afgelopen twintig, dertig jaar. Sinds ik op Sumatra mijn eerste veldwerk deed, in 1993, zijn er unieke gedragingen van die dieren verdwenen. Er zijn grote verschillen in gedrag tussen populaties orang-oetans, net zoals bij chimpansees – en dat is pas vijftien jaar geleden ontdekt. Carel van Schaik, die in Zürich werkt, zag dat een groep orang-oetans in het moerasbos stokjes gebruikt om zaadjes te halen uit een vrucht waar allemaal glasvezelachtige haartjes aan zitten. Dat doen maar twee populaties op Sumatra. Als die verdwenen waren, hadden we dat nooit geweten.

„We kijken naar een verarmde soort, en dat is heel erg jammer. Daardoor missen we ook puzzelstukjes van kennis over onze eigen evolutie. Maar de orang-oetans die wij nu gevonden hebben op hogere hellingen en in gebieden die niet eerder onderzocht waren, vertonen waarschijnlijk weer gedrag dat we ergens anders niet zien.”

Er bestaan twee soorten orang-oetans: één op Borneo en één op Sumatra. Vooral op die laatste soort richt zich Wichs veldwerk. De Sumatraanse orang-oetan is het schaarst; sinds halverwege de twintigste eeuw verdween zo’n driekwart van de dieren. Het leefgebied van de Sumatraanse orang-oetan ligt grotendeels in het Leuser-ecosysteem. Dat is het laatste grote oerwoud op het eiland, 25.000 km2, iets kleiner dan België, maar het wordt maar ten dele beschermd. Het veenmoerasbos in het laagland wordt sinds 15 à 20 jaar in hoog tempo gekapt voor palmolieplantages; het hellingbos wordt ontgonnen door lokale boeren.

Wich: „Terwijl het niet helemaal nodig is dat de natuur vernietigd wordt. Palmolieplantages zou je ook elders kunnen ontwikkelen, in al ontbost gebied.”

Daar kunnen we nu mee beginnen?

„Het is wel lastig. Die gebieden zijn kleiner, en het gaat om grond waar mensen een claim op hebben. Vaak gaat dat zo: iemand hakt een stukje bos om, plant een bananenboom en zet er een bordje naast. Zo legt die persoon een claim op een stuk land dat eigenlijk van de staat was. De boer zet meer bananenbomen neer, kapt nog wat bos, en heeft er steeds meer energie in gestoken. Dan geldt het principe van ganti rugi: je moet daarvoor vergoed worden. De staat vergoedt niet, en zo wordt het land langzaamaan privébezit.”

Het lijkt wel alsof tegenwoordig juist in Indonesië grote wilde dieren dreigen uit te sterven. Neushoorns, orang-oetans, nevelpanters…

„Tijgers, olifanten. Ja, die leven daar nog. In andere landen in Zuidoost-Azië, zoals Thailand, Vietnam en Cambodja zijn bijna al die soorten al weg.”

Was natuurbescherming je drijfveer toen je voor het eerst naar Indonesië ging?

„Helemaal niet. Ik wilde eigenlijk neurobioloog worden. Ik was geïnteresseerd in bewustzijn en kunstmatige intelligentie. Maar toen ik een beetje had gereisd, dacht ik: natuur is ook wel heel mooi, dus ik wilde een keer veldonderzoek doen. Tijdens mijn stage op Sumatra was er een boom omgehakt waarin een schimmel groeit die gebruikt wordt voor wierook. Degene die dat gedaan had, was degene bij wie wij altijd onze auto’s parkeerden. En toen zag ik ineens hoe er zelfs in zo’n onderzoeksgebied in een nationaal park allemaal dingen gebeuren die niet legaal zijn. Er werden ook tijgers gestroopt. En dus vond ik: ik moet me gaan inzetten voor bosbehoud, anders kan ik geen gedragsonderzoek meer doen.”

En nu doe je dat dus met drones.

„Daar ben ik 2011 mee begonnen. Het orang-oetanonderzoek dat we nu gepubliceerd hebben, is heel duur. Je moet soms een week door de bergen lopen, en een week terug, voor één telling van boomnesten. Dus toen dachten we aan drones. Ze waren destijds nog heel duur, dus zijn we ze zelf gaan bouwen: met een radiografisch bestuurbaar vliegtuig van schuimplastic, een autopilot en wat servo’s, kleine motortjes.”

Inmiddels levert iemand van Wichs ConservationDrones-team de drones. „We kunnen met GPS programmeren waar ze heen vliegen en ze maken luchtfoto’s. Ze kunnen 40 à 50 kilometer vliegen – de nieuwste 100 kilometer. In Tanzania gaan we er nesten van chimpansees mee tellen. Het grootste probleem is dat het nu nog 30 uur kost om de foto’s van een vlucht van één uur te analyseren. We zijn nu aan het uitzoeken of we de beeldherkenning kunnen automatiseren.”