CPB: de kredietcrisis in 2008 in elk geval niet verergerd door het kabinet

Crisisbeleid Een diepere terugval van de economie is voorkomen, doordat na 2008 niet ingrijpend is bezuinigd. Dat blijkt uit een CPB-studie.

Foto Robert Vos / ANP

De aanpak van de financiële crisis spitste zich voor economen en politici toe op het volgende dilemma: moet het mes stevig in de overheidsuitgaven of zou dat de economie juist extra schade toebrengen? Bezuinigen of kapot bezuinigen? Nu Nederland langzaam maar zeker is opgekrabbeld uit crisis is het debat daarover niet stilgevallen. Het Centraal Planbureau geeft met een studie opnieuw een bijdrage, die als steun kan worden beschouwd voor zowel liefhebbers van overheidsingrijpen als aanhangers van niets doen.

De Nederlandse overheid heeft met haar crisisbeleid de recessie na 2008 in elk geval „niet verergerd”, luidt een van de conclusies van het rapport De impact van de overheid op de economie tijdens de grote recessie, dat het CPB maandag heeft gepubliceerd. Door niet meteen flink te gaan bezuinigen op overheidsuitgaven is „diepere terugval van de economie vanaf 2009 voorkomen”.

Dat komt voornamelijk op het conto van het vierde kabinet Balkenende (2007-2010). Die coalitie van CDA, PvdA en ChristenUnie begon na het uitbreken van de financiële crisis in het najaar van 2008 niet meteen met ingrijpende bezuinigingen. Wel werd voor miljarden euro’s de financiële sector gered. De bankencrisis, ingeleid door de val van Lehman Brothers in september 2008, ging over in een economische recessie, zowel in Europa als in de Verenigde Staten.

Vier jaar later, in 2012, lag hierdoor het bruto binnenlands product in Nederland 6,5 procent hoger dan het geval zou zijn geweest als de overheid met de rest van de economie was mee gekrompen. Ook op de werkgelegenheid had het beleid van premier Balkenende (CDA) en zijn vicepremier Wouter Bos (Financiën, PvdA) een gunstig effect: in 2012 lag de werkloosheid 5 procentpunt lager dan wanneer het kabinet wel fors was gaan bezuinigen.

‘Positieve impuls’

In 2009 namen volgens het CPB de overheidsuitgaven met 4,4 procent toe – vooral door meer uitkeringen en hogere zorgkosten – terwijl de economie als geheel met 3,5 procent daalde.

Na 2012 ging het kabinet Rutte I (VVD en CDA, met gedoogsteun van de PVV) wél over op grote bezuinigingen – onder meer op het ambtenarenapparaat en de zorguitgaven. Dat beleid om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen heeft de groei van de economie weliswaar afgeremd.

Toch bleef er per saldo sprake van „een positieve impuls” van de overheid op de economie. Vorig jaar bedroeg die positieve invloed van overheidsbeleid nog altijd 1,7 procent van het bbp.

In een tweede rekenvariant probeert het CPB-rapport meer mee te wegen dan alleen ‘de automatische groei van overheidsuitgaven’ – WW-uitkeringen lopen vanzelf op als de werkloosheid stijgt. In dit model tellen voor zover mogelijk ook de economische gevolgen mee van actieve beleidsbeslissingen door de diverse kabinetten – denk aan het korten op uitkeringen en het verhogen van de btw. In deze ‘beleidsvariant’ zijn de effecten iets lager dan in de eerste variant, maar nog steeds positief. In 2012 was het bbp nog 4,1 procent hoger en de werkloosheid 3,7 procentpunt lager als gevolg van gericht overheidsbeleid.