Hier stierven 390 varkens ongezien een horrordood

Een boer uit Ruurlo liet zijn varkens creperen tot ze omkwamen. Steeds vaker wordt in Nederland melding gemaakt van verwaarloosd vee. De stress van het moderne boerenbestaan is een gevaar, waarschuwen organisaties.

Het boerenbedrijf in Ruurlo waar onlangs bijna vierhonderd dode varkens werden aangetroffen. Foto Eric Brinkhorst

De brievenbussen puilen uit. De stallen zijn verlaten. Twee auto’s van hulpverleners stuiven het rommelige erf af. Aan de voordeur verschijnt, kort na aanbellen, de man op wiens bedrijf onlangs bijna vierhonderd dode varkens zijn aangetroffen. „Ik heb dit nooit gewild”, zegt hij gelaten. „De hulpverleners zijn net weg. Ze hebben me geadviseerd er niet over te praten. Het is allemaal niet gemakkelijk voor mij.”

Tegen de vriendelijke dertiger, losjes gekleed in spijkerbroek en houthakkershemd, werd onlangs proces-verbaal opgemaakt door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Na een tip van de politie troffen de autoriteiten 250 varkens en 140 biggen dood aan. „De dieren hebben waarschijnlijk tien maanden geleden voor het laatst voer en verzorging gehad en zijn toen door de veehouder aan hun lot overgelaten”, aldus de NVWA.

De omwonenden van het buitengebied van Ruurlo, in de Achterhoek, zijn verward, verbaasd, onthutst en verontwaardigd. De alleenstaande boer leidde weliswaar een stil, teruggetrokken leven op zijn enigszins afgelegen boerderij, maar hij groette meestal hartelijk en hij was niet te beroerd een koperen bruiloft bij te wonen, of in het kader van de Achterhoekse naoberschap koffie te schenken bij de dood van een buurman, of bij een weiland met biologisch gehouden varkens met anderen te praten over hoe je het beste dieren kon houden. „Het was gezellig kletsen met hem”, zegt een buurvrouw.

De goed opgeleide veehouder had jaren geleden het bedrijf van zijn ouders overgenomen. Financiële problemen had hij volop, dat wisten veel omwonenden wel. Dagelijks verliet hij zijn bedrijf om twintig kilometer verderop te werken op een ander varkensbedrijf. Dat intussen op zijn eigen bedrijf de varkens na een vermoedelijk zware doodsstrijd waren bezweken, heeft niemand ooit geweten.

Burgemeester Joost van Oostrum (VVD) heeft de veehouder na de ontdekking bezocht en hem lang gesproken. „Het is een drama voor de dieren, maar ook een menselijk drama”, zegt de burgemeester. „We hebben het over een kundige agrariër die door een combinatie van financiële en persoonlijke omstandigheden in de problemen is geraakt. Er is een jaar geleden iets in hem geknapt. Hij kon het me niet precies uitleggen, het blijft eigenlijk een raadsel.”

Tot de persoonlijke problemen rekent de burgemeester onder meer de dood van de moeder van de boer, vijf jaar geleden. „Daarna bleef hij alleen achter. De les van dit tragische incident is dat je iemand moet hebben die je bij de les houdt.”

Gekrijs hoorde je niet

De vraag is hoe iemand een klein jaar lang weet te verbergen dat er bijna vierhonderd dode varkens in zijn stallen liggen. Ruiken doe je het niet, zeggen omwonenden, tussen andere varkensstallen. Gekrijs heeft evenmin iemand waargenomen.

Veel behoefte aan overleg over zijn werk leek hij niet te hebben. En als je de afgelopen maanden de veehouder vroeg hoe de zaken liepen, antwoordde hij dat er geen varkens meer waren. „De mestputten zitten vol, dus de varkens zijn weg”, herinneren mensen zich een uitspraak.

Eén van de buurvrouwen, Conny van Heeckeren van Kell, heeft verwijten gehoord dat er van de veelgeprezen naoberschap in dit geval weinig terecht is gekomen. „Waar ik van baal, is dat de vingers nu op ons worden gericht”, zegt ze. „Moeten wij ons als buurt verantwoorden? Krijgen wij de schuld dat hij daar zijn varkens een gruweldood heeft bezorgd? Dat gaat me te ver.”

Ze is „erg begaan” met boeren die door „een krankzinnige hoeveelheid regels” in moeilijkheden raken en ze vindt het „totaal niet verbazingwekkend” dat er veel leed op het boerenland is. Maar dit incident „valt eigenlijk niet goed te praten”, zegt ze. „Hoe kun je ergens anders varkens verzorgen, je eigen dieren een horrordood bezorgen en dan doen of er niets aan de hand is? Het is verschrikkelijk.”

Feit is dat in Nederland steeds vaker melding wordt gemaakt van verwaarlozing van vee. Vorig jaar kwamen zo’n zestig meldingen binnen bij het ‘vertrouwensloket welzijn landbouwhuisdieren’. Dat was al 20 procent meer dan het jaar ervoor. Dit jaar stevent het aantal meldingen af op een stijging van nog eens 50 procent.

Ook bij het in beslag of bewaring nemen van runderen, varkens, schapen, geiten en kippen „zet de stijgende lijn flink door”, schreef staatsecretaris Van Dam (Landbouw, PvdA) onlangs aan de Tweede Kamer. In 2013 ging het om ruim 1.200 dieren, in 2014 en 2015 steeg dat respectievelijk naar bijna 6.000 en 11.000 ‘landbouwhuisdieren’.

Verwaarlozing of „verminderde dierzorg” is een van de signalen dat het met de veehouder niet goed gaat. In veel gevallen, melden hulpverleners, is de economische crisis daar niet vreemd aan. De nood is hoog onder melkvee- en varkenshouders. De prijzen zijn laag.

De boeren hebben in het kleine Nederland te weinig grond om hun mest uit te rijden en moeten die tegen hoge kosten laten ophalen. En dan zijn er de investeringen in welzijn en milieu, waar regionale milieudiensten om vragen. Een luchtwasser kost zomaar tienduizenden euro’s, en vind maar een bank die daarvoor grif een lening verschaft.

Ondernemers belanden vaak buiten hun schuld in de problemen. Er zijn rozenkwekers failliet gegaan, omdat gele rozen uit de mode raakten; er zijn varkensboeren die hun dieren niet meer mochten verkopen omdat het geleverde voer dat ze gegeten hadden verontreinigd was. Ze wonen in een bescheiden huurwoninkje of ze zijn verhuisd van een weids landschap in de polder naar een appartement boven de supermarkt in een dorp.

Persoonlijke moeilijkheden hebben een direct en soms verwoestend effect op het bedrijf, vertellen vrijwilligers van Zorg Om Boer en Tuinder (ZOB), een organisatie die „een luisterend oor biedt” aan tobbende agrariërs. „Het zijn familiebedrijven, dus wat er gebeurt in de familie heeft direct impact”, zegt Hanneke Meester, voorzitter van ZOB. „Als er sprake is van een echtscheiding en de vrouw gaat elders wonen, dan zit de boer in z’n eentje op dat bedrijf, terwijl zijn hoofd daar helemaal niet naar staat. Hij is als boer bovendien fysiek in staat zich te isoleren, in the middle of nowhere, en heeft alle vrijheid niet uit z’n bed te komen of pas om twaalf uur te beginnen met melken. Er is geen sociale controle. Alleenstaande ondernemers vormen een risico.”

Creatief verzwegen ellende

Veel desastreuze effecten, van faillissement tot het laten creperen van vee, zouden uitblijven als de boeren zich maar niet zo zouden schamen voor hun moeilijkheden; daarvan zijn de hulpverleners overtuigd. „Boeren voelen heel sterk hun verantwoordelijkheid binnen de familie. En als het tegenzit, hebben ze het gevoel dat ze gefaald hebben”, zegt Joke Haverkamp, vrijwilliger bij ZOB en eertijds samen met haar man eigenaar van een melkveebedrijf.

In hun schaamte zijn ze „heel creatief” in het verzwijgen van ellende. „Sommige ondernemers nemen je niet mee in het achterhuis. Ze willen de dieren niet laten zien, maar nodigen je direct uit aan de keukentafel om te praten over van alles en nog wat – behalve over waar ze werkelijk mee zitten. Dat verstoppen ze.”

Hanneke Meester: „Dat gaat vaak niet eens bewust. Ze willen er niet aan denken en hopen dat het vanzelf goed komt.” Joke Haverkamp: „Ze durven vaak hun eigen familie niet eens te vertellen dat het slecht gaat.”

Hanneke Meester: „Het is erg zuur als laatste van zes generaties de stekker uit het familiebedrijf te moeten trekken. We hebben verhalen van partners die niet in de gaten hadden hoe slecht het ging. Veel partners hebben tegenwoordig een eigen baan. Ze zorgen hooguit nog voor de kalfjes. Die komen minder achter. Daardoor kan het langer verborgen blijven.”

Te voorkomen zijn incidenten zoals in Ruurlo nooit. Zoals je in grote steden jarenlang dood in huis kunt liggen zonder dat iemand dat merkt, zo kunnen op het platteland kennelijk vierhonderd varkens ongezien en ongehoord een ellendige dood sterven. Want wat doe je als een ietwat eenzelvige varkenshouder vertelt dat hij geen varkens meer heeft? Antwoorden dat je hem niet gelooft?

„Je kunt moeilijk toegang tot de stallen forceren”, zegt een woordvoerder van veevoederbedrijf ForFarmers. „Het is uiteindelijk altijd nog de boer zelf die bepaalt wat er op zijn erf gebeurt.”

Leveranciers, handelaren, veeartsen, banken, dierverzorgers en ook omwonenden zouden als ‘erfbetreders’ alerter kunnen worden bij signalen en deze ook durven melden, desnoods anoniem. Ongeveer zoals bij kindermishandeling. Misschien moet, zoals Kamerleden vorige week opperden, het melden van misstanden verplicht worden gesteld.

Maar het allerbeste, denken hulpverleners, is toch dat de boeren zélf leren hulp te vragen. In een vroeg stadium. Als het nog niet te laat is. Hanneke Meester: „Niet vanuit het idee dat je een sukkel of een mislukkeling bent of omdat het jouw schuld is, maar omdat je hulp en advies nodig hebt.”